Nostalgie naar (Nieuw) Amsterdam
Het begin van mijn studentenbestaan aan Ohio State University staat gelukkig nog een aantal dagen van me af. Ik typ deze woorden in Marike’s apartement, al Bach luisterend en koffie drinkend. Als ik straks de trap afdaal en naar buiten loop, dan is het daar zo’n 25 graden en zonnig. Sla ik linksaf, dan ben ik binnen drie minuten bij Central Park, en nog eens vijf minuten later op de Museum Mile, een stuk van Fifth Avenue dat enkele van de meest schitterende musea ter wereld herbergt. Sla ik rechtsaf, dan ben ik binnen twee minuten bij een metrostation dat de rest van New York binnen handbereik brengt.
Gezelligheid met Marike blijft beperkt tot de ochtend- en de avonduren: ik kan een beetje doen wat ik wil, maar zij is, zo aan het begin van het semester, alweer ruim acht uur per dag met haar studie bezig. Een van de goede dingen aan een jetlag (nadat de ergste dufheid is verdwenen) is echter dat je elke ochtend al heel vroeg wakker bent. Marike en ik zitten dus elke ochtend iets na achten samen aan het ontbijt, en staan rond negen uur op de stoep: zij vertrekt richting faculteit, en ik trek de stad in.
New York is niet alleen verschrikkelijk mooi: het is ook een stad met een waanzinnig interessante ontstaansgeschiedenis. Toen ik hier in mei was om Floris op te zoeken, was Floris mijlenver verdiept in de stadsgeschiedenis van New York, en wakkerde met allerlei verhalen mijn interesse voor dit onderwerp aan. Toen ik moest bedenken waarmee ik mijn dagen hier eens moest gaan vullen, besloot ik me daar dan ook maar eens op te storten.
Het eerste museum dat ik bezocht was dan ook de New-York Historical Society. Nee, het liggende streepje is geen taalfout van mijn kant: dit museum is opgericht in een tijd dat de Engelse spellingsregels nog heel anders waren, namelijk in 1804. Het oudste museum van de Verenigde Staten. Ik zal jullie er niet te veel mee lastigvallen: het is een merkwaardig museum, vol rariteiten. De stoel waarop Washington als president werd ingehuldigd, een Nederlands schoorsteenstuk uit een oud herenhuis (toen het hier nog gewoon Nieuw Amsterdam heette), wat schilderijen van beroemde Amerikanen, beelden die ooit ergens in New York stonden, kamers vol Tiffany’s-Lampen, maar bijvoorbeeld ook brokken van de 9/11 vliegtuigen... Alles torenhoog opgepakt in een soort opslagstellages achter glas. Het museum zou niet hebben misstaan als het rariteitenkabinet van een geschifte wetenschapper in een Disneyfilm.
Echt gaaf was het Museum of the City of New York, waar ik gisteren mijn hele ochtend heb besteed. Indertijd stond dat museum hoog op het verlanglijstje van Floris en mij, maar volgens mij zijn we er uiteindelijk geen van beiden heen geweest. Ik althans niet. Dus moest dat er nu maar van komen.
Toen ik in mei in New York was, schreef Floris allerlei papers over stadsnostalgie in de kunsten en de collectieve beleving: het altijd heersende idee dat de stad vroeger mooier was dan nu, en dat het er almaar lelijker op wordt, en dat de echte schoonheid van de stad verloren is in het verleden. Als hij uiteindelijk niet gegaan is, dan moet dat hem spijten, want dit museum ging over stadsnostalgie.
Beneden was de meest fantastische fototentoonstelling. In de jaren ’30 werkte er in New York een fotografe genaamd Benedice Abbott, een beetje de Ed van der Elsken van die tijd en deze stad. Tussen 2000 en 2003 had een fotograaf al haar stadsgezichten genomen en was teruggegaan naar al die plekken, om in hetzelfde jaargetijde en bij voorkeur op hetzelfde uur van de dag weer een foto te nemen. Dat leverde zo’n mooi beeld op van hoe New York was veranderd: waar vroeger de oesterboten aan de kades van de East River lagen, waren nu betonnen kades. Vroeger was Manhattan gevuld met lelijke industrie en vervallen tenements, waar nu de enorme wolkenkrabbers en publieke behuizingsprojecten staan. De ‘Els’, of Elevated Railways, liepen in de jaren ’30 boven de straten van New York, maar zijn nu vervangen door de Underground. De stad, kortom, was echt van karakter veranderd.

Her en der leek er wel iets te zeggen voor dit gevoel van stadsnostalgie. Van de ranke, mooie wolkenkrabbers die aan het begin van de 20e eeuw in New York verrezen, en die het zelfvertrouwen van de groeiende stad uitstraalden, bleken er vele alweer afgebroken. Wat er nog staat is steeds sterker ingeklemd geraakt en aan het zicht onttrokken door nieuwe wolkenkrabbers: steriele, vormloze kolossen van beton en staal die, toen de stad in de jaren ’80 weer begon te groeien, liefdeloos zijn neergekwakt.
Ook de eindeloze woonprojecten die in de jaren ’60 de oude tenement-buurten hadden vervangen brachten een enorm verlies aan schoonheid en sfeer met zich mee. Het meest schrijnend en illustratief was echter een foto van het vroegere stadhuis van Queens: een schitterend 19e eeuws gebouw dat daar tot 1941 had gestaan, maar nu was vervangen, jawel, door een McDonald’s-Restaurant, in een laag, golfplaten gebouw.
Andere foto’s stelden je echter bijna gerust: waar vroeger de vage Chinese etenswinkeltjes in Chinatown waren, waren nu nog steeds vage Chinese etenswinkeltjes. Sommige mooie panden waren gered doordat ze op monumentenlijsten waren beland, zoals de pakhuizen aan de kades van Brooklyn. Andere gebouwen hadden de eeuw gewoon op eigen houtje overleefd. De stadsplanners van New York hebben de neiging meedogenloos om te gaan met hun stad, maar waren er toch niet in geslaagd om in zeventig jaar alles wat mooi was aan het oude New York tegen de vlakte te leggen.
Boven werd het niet minder nostalgisch: daar was een tentoonstelling genaamd ‘The Destruction of Lower Manhattan’, eveneens een fotoreportage die in beeld bracht hoe alle oude tenementbuurten aan de Lower Eastside werden platgegooid voor de zich eindeloos uitstrekkende publieke bouwprojecten van Robert Moses. Die projecten staan vandaag nog, en bestaan uit troosteloze, gelijkvormige bakstenen flats die zich eindeloos uitstrekken langs de East River. Het was een grimmige verzameling foto’s, die inderdaad het idee in me opwekte dat er zoiets was als “The Lost City”. Geheel melancholisch liep ik verder.
Beneden toch nog geheel opgevrolijkt door één van die leuke Nederlandse dingen die je soms ineens in New York tegenkomt: één van de delen van het museum ging over de vroegste joodse bewoners van de stad. Die kwamen uit Amsterdam. Ik voelde me bijna thuis tussen de prenten van Amsterdam, de schilderijen van rijke Joden uit Nederland en de 17e eeuwse handschriften (van Peter Stuyvesant zelf!). Ook vond ik het een heel erg toffe gewaarwording dat ik de enige bezoeker was die al die onzin ook kon lezen. Vervuld met een totaal onzinnig gevoel van trots op Nederland en Amsterdam liep ik Central Park weer in. (Dat natuurlijk eigenlijk gewoon New Vondelpark had moeten heten, dat lijkt me duidelijk.)
Afbeeldingen: foto's van de tentoonstelling, waarop we kunnen zien hoe mooie wolkenkrabbers worden ingesneeuwd door lelijke. Veel van de foto's zijn te zien op www.nychanging.com, onder het kopje Rephotographs.
Gezelligheid met Marike blijft beperkt tot de ochtend- en de avonduren: ik kan een beetje doen wat ik wil, maar zij is, zo aan het begin van het semester, alweer ruim acht uur per dag met haar studie bezig. Een van de goede dingen aan een jetlag (nadat de ergste dufheid is verdwenen) is echter dat je elke ochtend al heel vroeg wakker bent. Marike en ik zitten dus elke ochtend iets na achten samen aan het ontbijt, en staan rond negen uur op de stoep: zij vertrekt richting faculteit, en ik trek de stad in.
New York is niet alleen verschrikkelijk mooi: het is ook een stad met een waanzinnig interessante ontstaansgeschiedenis. Toen ik hier in mei was om Floris op te zoeken, was Floris mijlenver verdiept in de stadsgeschiedenis van New York, en wakkerde met allerlei verhalen mijn interesse voor dit onderwerp aan. Toen ik moest bedenken waarmee ik mijn dagen hier eens moest gaan vullen, besloot ik me daar dan ook maar eens op te storten.
Het eerste museum dat ik bezocht was dan ook de New-York Historical Society. Nee, het liggende streepje is geen taalfout van mijn kant: dit museum is opgericht in een tijd dat de Engelse spellingsregels nog heel anders waren, namelijk in 1804. Het oudste museum van de Verenigde Staten. Ik zal jullie er niet te veel mee lastigvallen: het is een merkwaardig museum, vol rariteiten. De stoel waarop Washington als president werd ingehuldigd, een Nederlands schoorsteenstuk uit een oud herenhuis (toen het hier nog gewoon Nieuw Amsterdam heette), wat schilderijen van beroemde Amerikanen, beelden die ooit ergens in New York stonden, kamers vol Tiffany’s-Lampen, maar bijvoorbeeld ook brokken van de 9/11 vliegtuigen... Alles torenhoog opgepakt in een soort opslagstellages achter glas. Het museum zou niet hebben misstaan als het rariteitenkabinet van een geschifte wetenschapper in een Disneyfilm.
Echt gaaf was het Museum of the City of New York, waar ik gisteren mijn hele ochtend heb besteed. Indertijd stond dat museum hoog op het verlanglijstje van Floris en mij, maar volgens mij zijn we er uiteindelijk geen van beiden heen geweest. Ik althans niet. Dus moest dat er nu maar van komen.
Toen ik in mei in New York was, schreef Floris allerlei papers over stadsnostalgie in de kunsten en de collectieve beleving: het altijd heersende idee dat de stad vroeger mooier was dan nu, en dat het er almaar lelijker op wordt, en dat de echte schoonheid van de stad verloren is in het verleden. Als hij uiteindelijk niet gegaan is, dan moet dat hem spijten, want dit museum ging over stadsnostalgie.
Beneden was de meest fantastische fototentoonstelling. In de jaren ’30 werkte er in New York een fotografe genaamd Benedice Abbott, een beetje de Ed van der Elsken van die tijd en deze stad. Tussen 2000 en 2003 had een fotograaf al haar stadsgezichten genomen en was teruggegaan naar al die plekken, om in hetzelfde jaargetijde en bij voorkeur op hetzelfde uur van de dag weer een foto te nemen. Dat leverde zo’n mooi beeld op van hoe New York was veranderd: waar vroeger de oesterboten aan de kades van de East River lagen, waren nu betonnen kades. Vroeger was Manhattan gevuld met lelijke industrie en vervallen tenements, waar nu de enorme wolkenkrabbers en publieke behuizingsprojecten staan. De ‘Els’, of Elevated Railways, liepen in de jaren ’30 boven de straten van New York, maar zijn nu vervangen door de Underground. De stad, kortom, was echt van karakter veranderd.

Her en der leek er wel iets te zeggen voor dit gevoel van stadsnostalgie. Van de ranke, mooie wolkenkrabbers die aan het begin van de 20e eeuw in New York verrezen, en die het zelfvertrouwen van de groeiende stad uitstraalden, bleken er vele alweer afgebroken. Wat er nog staat is steeds sterker ingeklemd geraakt en aan het zicht onttrokken door nieuwe wolkenkrabbers: steriele, vormloze kolossen van beton en staal die, toen de stad in de jaren ’80 weer begon te groeien, liefdeloos zijn neergekwakt.

Ook de eindeloze woonprojecten die in de jaren ’60 de oude tenement-buurten hadden vervangen brachten een enorm verlies aan schoonheid en sfeer met zich mee. Het meest schrijnend en illustratief was echter een foto van het vroegere stadhuis van Queens: een schitterend 19e eeuws gebouw dat daar tot 1941 had gestaan, maar nu was vervangen, jawel, door een McDonald’s-Restaurant, in een laag, golfplaten gebouw.
Andere foto’s stelden je echter bijna gerust: waar vroeger de vage Chinese etenswinkeltjes in Chinatown waren, waren nu nog steeds vage Chinese etenswinkeltjes. Sommige mooie panden waren gered doordat ze op monumentenlijsten waren beland, zoals de pakhuizen aan de kades van Brooklyn. Andere gebouwen hadden de eeuw gewoon op eigen houtje overleefd. De stadsplanners van New York hebben de neiging meedogenloos om te gaan met hun stad, maar waren er toch niet in geslaagd om in zeventig jaar alles wat mooi was aan het oude New York tegen de vlakte te leggen.
Boven werd het niet minder nostalgisch: daar was een tentoonstelling genaamd ‘The Destruction of Lower Manhattan’, eveneens een fotoreportage die in beeld bracht hoe alle oude tenementbuurten aan de Lower Eastside werden platgegooid voor de zich eindeloos uitstrekkende publieke bouwprojecten van Robert Moses. Die projecten staan vandaag nog, en bestaan uit troosteloze, gelijkvormige bakstenen flats die zich eindeloos uitstrekken langs de East River. Het was een grimmige verzameling foto’s, die inderdaad het idee in me opwekte dat er zoiets was als “The Lost City”. Geheel melancholisch liep ik verder.
Beneden toch nog geheel opgevrolijkt door één van die leuke Nederlandse dingen die je soms ineens in New York tegenkomt: één van de delen van het museum ging over de vroegste joodse bewoners van de stad. Die kwamen uit Amsterdam. Ik voelde me bijna thuis tussen de prenten van Amsterdam, de schilderijen van rijke Joden uit Nederland en de 17e eeuwse handschriften (van Peter Stuyvesant zelf!). Ook vond ik het een heel erg toffe gewaarwording dat ik de enige bezoeker was die al die onzin ook kon lezen. Vervuld met een totaal onzinnig gevoel van trots op Nederland en Amsterdam liep ik Central Park weer in. (Dat natuurlijk eigenlijk gewoon New Vondelpark had moeten heten, dat lijkt me duidelijk.)
Afbeeldingen: foto's van de tentoonstelling, waarop we kunnen zien hoe mooie wolkenkrabbers worden ingesneeuwd door lelijke. Veel van de foto's zijn te zien op www.nychanging.com, onder het kopje Rephotographs.

2 Comments:
Maar het was toch 'uitslapen tot 8 uur'? Goeie verhalen en wat een coole foto van jou met Ohio State sweater :) Groeten van Cor
Ik heb vandaag een nieuwe Ohio State sweater gewonnen, door te raden wie de 5e president van OSU was. (Makkelijk, er staat een levensgroot standbeeld van hem op de faculteit.) Zal gauw een foto laten nemen, en die posten. Vincent heeft een digitale camera, dus dat gaat wel lukken.
Post a Comment
<< Home