Concert in Columbus
Afgelopen vrijdagavond was de ‘homecoming parade’: een optocht door de campus van de marching band, de verschillende fraternities, de cheerleaders, de verschillende aan de universiteit gelieerde militaire instellingen en de koren van de universiteit. Wie er precies thuiskomt is me volsrekt onduidelijk (volgens mij de studenten), maar volgens de website is het een van de ‘great traditions’ van OSU. Traditie is hier echt een toverwoord, waar Amerikanen een soort vals besef van continuïteit uit schijnen te halen. Alles is traditie, van de Grondwet tot tailgating, en alle tradities zijn even verstoken van betekenis.
Ik liep mee in het koor. Ingeklemd tussen cheerleaders en carnavalswagens zongen we de verschillende ‘Buckeye-songs’, die we zelfs nog even voor een jury ten gehore moesten brengen. Na de optocht was er eten voor de deelnemers, en daarna zou er nog een optreden met het koor en de marching band volgen. ‘You’re getting a taste of American culture at its worst here, Tristan!’ zei de dirigent, niet voor het eerst, verontschuldigend tegen me terwijl we in de rij stonden voor het eten. Het is wel grappig hoe verschillende leden van het koor ineens onzeker worden over hun eigen tradities door de aanwezigheid van een buitenstaander. Het feit dat ik tamelijk onaangedaan blijf door alle pep-rallies voor het football-team en dergelijke (hoewel ik het best leuk vind liedjes te zingen op dat soort gelegenheden) maakt sommige mensen in mijn omgeving oprecht zenuwachtig.
Het optreden met de marching band bleef me bespaard: al een tijd geleden had ik met Machteld afgesproken die avond naar een concert van het Columbus Symphony orchestra te gaan. Zij was nog nooit naar een klassiek concert geweest en was wel benieuwd. Ik ontvluchtte de maaltijd dus en spoedde me naar een bushalte waar ik met Machteld had afgesproken.
Na een wat hectische reis naar het Ohio Theatre (de bussen over de campus reden niet dankzij de parade) kwamen we alsnog ruim op tijd aan bij het Ohio Theatre in downtown Columbus, het oude stadscentrum. Van de buitenkant heeft het Ohio Theatre een mooie bakstenen architectuur (een beetje zoals Carnegie Hall, maar dan wat kleiner), en ik had al begrepen dat het van binnen een schitterend gebouw was. Niets had me echter kunnen voorbereiden op de overdadige neobarok-modernistische architectuur aan de binnenkant van het gebouw. Op het Palau de la Musica in Barcelona na, is het Ohio Theatre de mooiste concertzaal die ik ooit heb bezocht. (Je krijgt ook sterk de indruk dat de architect van het Ohio Theatre zijn inspiratie heeft gehaald in Barcelona, of sowieso in Spanje) Net als de modernistische architecten in Nederland en Spanje was de ontwerper, een Schot genaamd Thomas W. Lamb, een linkse idealist die met zijn theater een “paleis voor de gewone man” wilde bouwen. Het is ook wel boeiend dat dit gebouw, net als het Amsterdamse Tuschinski, met name gebouwd is als bioscoop. Pas toen in de jaren ’60 de goedkopere bioscopen buiten het centrum langzaam maar zeker het publiek van het Ohio Theatre begonnen weg te trekken, en het gebouw op de slooplijst kwam, werd een massale reddingsactie op touw gezet en kreeg het gebouw zijn nieuwe functie als theater en concertzaal. Ik was dus helemaal blij daar in dit schitterende gebouw te zitten, met een rood plafond beschilderd met sterren boven mijn hoofd, overal om me heen ornamenten die er een beetje uitzagen als Spaanse altaarstukken, en op het podium het Columbus Symphony Orchestra in afwachting van dirigent Gunther Herbig. 
Het was echter zaak om niet te veel om je heen in het publiek te kijken: het had namelijk iets pijnlijks om te zien dat de zaal halfleeg was. Ik had al mijn bedenkingen toen ik de kaartjes ging kopen en zonder problemen twee kaartjes perfect in het midden van de zaal kon krijgen. Als ze een week vantevoren de beste plaatsen genummerd aan studenten verkochten voor 1/5 van de normale prijs, wat zegt dat dan? In Amsterdam heb je drie kwartier in plaats van een week, krijg je slechte stoelen toegewezen, en ga je vervolgens vechten voor het veroveren van een goede plaats. De sport van het sprinten was daarentegen in Columbus geheel overbodig. Ook zorgwekkend was het om te zien dat de bezoekers voor het concert per bejaardenbus werden aangevoerd. Machteld noemde het na afloop ‘vergane glorie.’ Ik kan het daar volledig mee eens zijn.
Vlak voor de aanvang van het concert werd de zaal door de speakers niet alleen gemaand de mobiele telefoons uit te zetten; ook werden de verschillende sponsors van het concert voorgelezen. Typisch. Alles in Amerika is gesponsord, en op zich is dat een heel goed systeem. Bij gebrek aan overheidssteun en genoeg publiek, worden radiozenders, theatergezelschappen, orkesten en alle andere kwakkelende kunsten, gesponsord door rijke individuen en bedrijven. Die ontlenen prestige aan het geven van deze steun, en slagen erin om de kunst inderdaad in leven te houden. Dat hun namen worden afgedrukt in de programmaboekjes en de echt gulle gevers door de speakers worden opgenoemd, is vervolgens een kleine prijs om te betalen.
Op het programma stonden: Schubert 8 (“unvollendete”) en Mahler 4. De Unvollendete, zoals de naam doet vermoeden, is unvollendet, en heeft slechts twee delen. In tegenstelling tot wat ik altijd dacht, ging Schubert niet dood aan syphilis tijdens het schrijven van zijn Unvollendete: hij verloor gewoon zijn interesse in het project, schreef vervolgens nog een 9e symphonie en ging daarna pas dood aan syphilis. (Hoe kan het ook anders.) Ik had het nog nooit gehoord en vond het mooi. Met zijn twee delen was het wel over voor je er erg in had.
Mahler 4 is leuke muziek, en het CSO speelde het ook echt leuk. Ik genoot er enorm van om weer eens naar een klassiek concert te gaan. Bijna werd de vreugde bedorven door de wat oudere vrouw rechts van mij, die ergens tijdens de eerste vijf minuten in slaap was gevallen. Dat is natuurlijk verder haar zaak, maar toen ze ergens halverwege het tweede deel begon te snurken ben ik toch even heel ruw tegen de leuning van mijn stoel geploft. Dat hielp.
Het was erg leuk om de campus even te ontvluchten en naar een klassiek concert te gaan. Het zijn precies dat soort dingen die ik het meest mis tijdens mijn verblijf hier. Ik heb het diepste respect voor mensen als Gunter Herbig, de dirigent, en alle Europese professoren die hier in Columbus zijn komen werken, maar ik begrijp ze niet. In de wetenschap dat ik over twee maanden weer terug in Nederland ben kan ik me hier prima vermaken met alle Amerikaanse onzin, en vind ik het heel interesssant om te zien, maar ik ben stiekem erg blij dat ik daarna weer terug naar Amsterdam mag.
Voor een indruk van het Ohio Theatre: doe de Virtual tour, onderaan wanneer je deze link volgt. De resolutie is laag en het gebouw komt niet tot zijn recht, maar het geeft wel een beetje een indruk van het gebouw.
Ik liep mee in het koor. Ingeklemd tussen cheerleaders en carnavalswagens zongen we de verschillende ‘Buckeye-songs’, die we zelfs nog even voor een jury ten gehore moesten brengen. Na de optocht was er eten voor de deelnemers, en daarna zou er nog een optreden met het koor en de marching band volgen. ‘You’re getting a taste of American culture at its worst here, Tristan!’ zei de dirigent, niet voor het eerst, verontschuldigend tegen me terwijl we in de rij stonden voor het eten. Het is wel grappig hoe verschillende leden van het koor ineens onzeker worden over hun eigen tradities door de aanwezigheid van een buitenstaander. Het feit dat ik tamelijk onaangedaan blijf door alle pep-rallies voor het football-team en dergelijke (hoewel ik het best leuk vind liedjes te zingen op dat soort gelegenheden) maakt sommige mensen in mijn omgeving oprecht zenuwachtig.
Het optreden met de marching band bleef me bespaard: al een tijd geleden had ik met Machteld afgesproken die avond naar een concert van het Columbus Symphony orchestra te gaan. Zij was nog nooit naar een klassiek concert geweest en was wel benieuwd. Ik ontvluchtte de maaltijd dus en spoedde me naar een bushalte waar ik met Machteld had afgesproken.
Na een wat hectische reis naar het Ohio Theatre (de bussen over de campus reden niet dankzij de parade) kwamen we alsnog ruim op tijd aan bij het Ohio Theatre in downtown Columbus, het oude stadscentrum. Van de buitenkant heeft het Ohio Theatre een mooie bakstenen architectuur (een beetje zoals Carnegie Hall, maar dan wat kleiner), en ik had al begrepen dat het van binnen een schitterend gebouw was. Niets had me echter kunnen voorbereiden op de overdadige neobarok-modernistische architectuur aan de binnenkant van het gebouw. Op het Palau de la Musica in Barcelona na, is het Ohio Theatre de mooiste concertzaal die ik ooit heb bezocht. (Je krijgt ook sterk de indruk dat de architect van het Ohio Theatre zijn inspiratie heeft gehaald in Barcelona, of sowieso in Spanje) Net als de modernistische architecten in Nederland en Spanje was de ontwerper, een Schot genaamd Thomas W. Lamb, een linkse idealist die met zijn theater een “paleis voor de gewone man” wilde bouwen. Het is ook wel boeiend dat dit gebouw, net als het Amsterdamse Tuschinski, met name gebouwd is als bioscoop. Pas toen in de jaren ’60 de goedkopere bioscopen buiten het centrum langzaam maar zeker het publiek van het Ohio Theatre begonnen weg te trekken, en het gebouw op de slooplijst kwam, werd een massale reddingsactie op touw gezet en kreeg het gebouw zijn nieuwe functie als theater en concertzaal. Ik was dus helemaal blij daar in dit schitterende gebouw te zitten, met een rood plafond beschilderd met sterren boven mijn hoofd, overal om me heen ornamenten die er een beetje uitzagen als Spaanse altaarstukken, en op het podium het Columbus Symphony Orchestra in afwachting van dirigent Gunther Herbig. 
Het was echter zaak om niet te veel om je heen in het publiek te kijken: het had namelijk iets pijnlijks om te zien dat de zaal halfleeg was. Ik had al mijn bedenkingen toen ik de kaartjes ging kopen en zonder problemen twee kaartjes perfect in het midden van de zaal kon krijgen. Als ze een week vantevoren de beste plaatsen genummerd aan studenten verkochten voor 1/5 van de normale prijs, wat zegt dat dan? In Amsterdam heb je drie kwartier in plaats van een week, krijg je slechte stoelen toegewezen, en ga je vervolgens vechten voor het veroveren van een goede plaats. De sport van het sprinten was daarentegen in Columbus geheel overbodig. Ook zorgwekkend was het om te zien dat de bezoekers voor het concert per bejaardenbus werden aangevoerd. Machteld noemde het na afloop ‘vergane glorie.’ Ik kan het daar volledig mee eens zijn.
Vlak voor de aanvang van het concert werd de zaal door de speakers niet alleen gemaand de mobiele telefoons uit te zetten; ook werden de verschillende sponsors van het concert voorgelezen. Typisch. Alles in Amerika is gesponsord, en op zich is dat een heel goed systeem. Bij gebrek aan overheidssteun en genoeg publiek, worden radiozenders, theatergezelschappen, orkesten en alle andere kwakkelende kunsten, gesponsord door rijke individuen en bedrijven. Die ontlenen prestige aan het geven van deze steun, en slagen erin om de kunst inderdaad in leven te houden. Dat hun namen worden afgedrukt in de programmaboekjes en de echt gulle gevers door de speakers worden opgenoemd, is vervolgens een kleine prijs om te betalen.
Op het programma stonden: Schubert 8 (“unvollendete”) en Mahler 4. De Unvollendete, zoals de naam doet vermoeden, is unvollendet, en heeft slechts twee delen. In tegenstelling tot wat ik altijd dacht, ging Schubert niet dood aan syphilis tijdens het schrijven van zijn Unvollendete: hij verloor gewoon zijn interesse in het project, schreef vervolgens nog een 9e symphonie en ging daarna pas dood aan syphilis. (Hoe kan het ook anders.) Ik had het nog nooit gehoord en vond het mooi. Met zijn twee delen was het wel over voor je er erg in had.
Mahler 4 is leuke muziek, en het CSO speelde het ook echt leuk. Ik genoot er enorm van om weer eens naar een klassiek concert te gaan. Bijna werd de vreugde bedorven door de wat oudere vrouw rechts van mij, die ergens tijdens de eerste vijf minuten in slaap was gevallen. Dat is natuurlijk verder haar zaak, maar toen ze ergens halverwege het tweede deel begon te snurken ben ik toch even heel ruw tegen de leuning van mijn stoel geploft. Dat hielp.
Het was erg leuk om de campus even te ontvluchten en naar een klassiek concert te gaan. Het zijn precies dat soort dingen die ik het meest mis tijdens mijn verblijf hier. Ik heb het diepste respect voor mensen als Gunter Herbig, de dirigent, en alle Europese professoren die hier in Columbus zijn komen werken, maar ik begrijp ze niet. In de wetenschap dat ik over twee maanden weer terug in Nederland ben kan ik me hier prima vermaken met alle Amerikaanse onzin, en vind ik het heel interesssant om te zien, maar ik ben stiekem erg blij dat ik daarna weer terug naar Amsterdam mag.
Voor een indruk van het Ohio Theatre: doe de Virtual tour, onderaan wanneer je deze link volgt. De resolutie is laag en het gebouw komt niet tot zijn recht, maar het geeft wel een beetje een indruk van het gebouw.

1 Comments:
Als dit daadwerkelijk het repertoire van je koor is, dan kan ik me de opmerking van de dirigent wel voorstellen... Huiver, huiver... Maar dat theater ziet er inderdaad schitterend uit, en het plaatselijk symfonieorkest verdient -aan de website te oordelen- meer publiek!
Post a Comment
<< Home