zondag, september 25, 2005

Met een noodgang van start

Woensdag begonnen de lessen. Dat werkt hier net even wat anders. In Nederland hebben we veel vakantie, en semesters van zo’n zeventien weken. Zulke semesters beginnen langzaamaan, niemand werkt echt hard tot halverwege, en zo rond week twaalf realiseert iedereen dat er toch eens over een werkstuk nagedacht moet worden. Niet getreurd: alle docenten vinden het prima als dat werkstuk zo aan het eind van de vakantie een keer af is, dus alle tijd.
Zo niet hier. Hier hebben ze, om te beginnen, nog meer vakantie. Het quarter duurt maar tien weken, maar de eisen zijn minstens even hoog als in Nederland voor zeventien. Voor elk geschiedenisvak moeten er aan het eind van die tien weken vijfentwintig geschreven pagina’s ingeleverd worden, soms nog aangevuld met een klein examen halverwege. Het quarter begint hier dus niet in een slakkengangetje, maar meer als de 100 meter hardlopen. Iedereen zit klaar voor het startschot, en wanneer dat klinkt dan is iedereen ook binnen drie seconden op topsnelheid. Daar moet komt bij dat Amerikaanse studenten echt ongelooflijk fanatiek zijn: ze beginnen allemaal aan die 100 meter om hem te winnen.
Zo komt het dat ik aan het begin van het semester op vrijdagavond en zaterdag met mijn neus in de boeken zit. De eerste boeken moeten begin volgende week uit zijn, over drie weken moet ik voor de meeste vakken al onderzoeksvoorstellen inleveren, en over 10 weken moeten alle werkstukken ingeleverd zijn.
Deze vrij heftige eisen worden dan wel weer gecompenseerd door het feit dat ze geschiedenis hier verdomd leuk weten te maken. Geen stoffige obscure deelonderwerpen, maar het grote verhaal zet hier de toon. Ik volg een vak genaamd ‘Readings in European History’ waar we in groepjes simpelweg elk gaaf en belangrijk boek over Europese geschiedenis gaan lezen en bespreken. Een ander vak, met de meeslepende titel ‘Wars of Empire’, bestaat voor een belangrijk deel uit het lezen van gedichten en romans, en het kijken van films. Het handboek voor dit vak is niet de een of andere stoffige historische studie, maar een guerilla-handleiding, geschreven in 1894 door een Britse kolonel. Onder begeleiding van Parker voor mijn scriptie lezen is eveneens een groot plezier. Ik word spontaan fanatiek.

Ook ben ik hier bij een koor gegaan. Toen ik hier afgelopen maandag over de intro-markt sjokte kwam ik langs een stalletje van een mannenkoor, en liet mijn e-mailadres achter, in ruil waarvoor ik een cd kreeg. Sinds dat moment is dat koor in hoog tempo mijn leven aan het overnemen.
Ik had eigenlijk niet echt een idee voor wat voor koor ik me eigenlijk opgaf. Die avond ontving ik per mail een uitnodiging voor een stemtest op donderdag. Door het luisteren van de cd was me al duidelijk geworden dat ik misschien toch wat te hoog gemikt had voor een beetje recreatief zingen, want het klonk allemaal onwaarschijnlijk professioneel.
Die donderdag kwam ik echter tot mijn verbazing door de stemtest heen en werd ik tot tenoor gebombardeerd. Ik werd gesommeerd de volgende dag op de repetitie te verschijnen, en het werd me duidelijk gemaakt dat we drie keer per week repeteerden, aangevuld met een aantal notenstampavonden per quarter en een aantal optredens.
Ondertussen is me wat meer duidelijk bij wat voor soort koor ik terecht ben gekomen. Het gaat onder de naam ‘Ohio State University Men’s Glee Club’, en bestaat uit zeventig mensen, waarvan ruim een derde zangstudenten van de OSU School of Music, en nog een flink deel andere School of Music-studenten. Waar het Particolartekoor een gezellig zooitje is, is dit koor een bloody legerregiment (hoewel ook extreem gezellig). De eerste repetitie gisteren was van een andere orde dan het op de stoelen staan in lokaal B11 van Crea: zeventig man stonden opgesteld in een soort tribunes rond de dirigent, met naast hem een losse pianist. Het geheel verliep als een drill: de repetities duren maar een uurtje, maar er wordt geen seconde verspild. Het koor geldt als een soort visitekaartje van de universiteit, doet mee aan concoursen, gaat op tournee door Europa en doet optredens in concertzalen door heel Amerika.
Na de repetitie werd ik meteen op de hoogte gesteld dat ik de volgende ochtend (vanochtend dus), om negen uur geacht werd weer mijn opwachting te maken. Het was vandaag weer een game day, en dus was er werk aan de winkel. Wat we precies gingen doen was me volstrekt onduidelijk, maar ik zette mijn wekker en stond vanochtend dus braaf met mijn slaperige kop op de stoep van de School of Music.
De ochtend werd vervolgens begonnen met zingen op tactische plaatsen rond het stadion, met als doel cd’s verkopen. Op een gemiddelde game day verkoopt dit koor meer dan honderd cd’s, door op straat, maar ook op verschillende officiële lunches van alumni-verenigingen etc. te zingen. Hiervoor werd het klassieke repertoire even terzijde geschoven: wel ken ik nu het volkslied van Ohio (voor vierstemmig mannenkoor), en verschillende Buckeyes-liedjes (ook voor vierstemmig mannenkoor). Het geheel eindigde met een optreden op de brunch van de president van de universiteit, waar enkele honderden genodigden waren. Uiteraard kwam ook het volkslied van Ohio weer langs, wat door de bewoners van Ohio zeer serieus wordt genomen: iedereen staat op en alle hoeden en petten gaan af. (OSU verloeg Iowa vervolgens met 31-6, maar dit keer zat ik niet in het stadion. Ik heb wel de wedstrijd gekeken.)

Het begin van het quarter is, kortom, als een soort lawine over me heen komen vallen, en niet alleen qua studie. Misschien is het meest verbazingwekkende dat ik eigenlijk heel veel plezier heb in al die dingen die ik in Nederland zou verafschuwen, zoals American Football of het zingen van het volkslied van Ohio in een militant universiteitskoor. (Had ik al gezegd dat ze uniformen hebben voor optredens?) Oh, ik heb me ook opgegeven voor een theatergezelschap. Als die lui net zo fanatiek zijn als de studenten en de koorleden, dan ga ik de komende drie maanden echt erg weinig uitslapen.

dinsdag, september 20, 2005

Brood

Ik had beloofd een heel verhaal over Amerikaans eten te schrijven, maar dat bewaar ik nog even. Het volgende verbijstert me echter zo extreem dat ik het toch maar vast post.
Van Marike had ik al begrepen dat AL het Amerikaanse brood, zonder uitzondering, lang houdbaar is. Daar had ik me bij neergelegd, maar ik zag zojuist dat het brood dat ik hier op mijn eerste dag had gekocht en uit het oog was verloren, eigenlijk nog precies dezelfde textuur had als eerst. Het was niet hard geworden, het was niet beschimmeld.
Dus dacht ik eens een blik te werpen op de ingredienten. Wat zit er allemaal in Amerikaans brood? Het volgende:

enriched bleached flour (wheat flour, malt barley flour, niacin, ferrous sulfate, thiamine, mononitrate, riboflavin, folic acid), water, rye flour, rye meal, caramel colour (contains sulfiting agents), salt, yeast, wheat gluten, corn meal, vegetable shortening (partially hydrogenated soybean, cotton seed, and/or canoladils), dextrose, spices, sugar, corn starch, calcium propionate, diacetyl, tartaric acid esters of mono-diglycerides, acetic acid, lactic acid, natural & artificial flavor, fumeric acid, monocalcium phosphate, ascorbic acid, L. cysteine, enzyme, azodicarbonamide.

En ik maar denken dat brood wordt gemaakt van meel, water, gist en een beetje zout. Is er een scheikundige in de zaal?

zondag, september 18, 2005

Game day!

Midden op deze campus, vijf minuten van mijn huis, staat een gigantisch American Football-stadion. Het overgrote deel van de tijd staat dat stadion daar maar zo’n beetje groot en leeg te zijn, maar zo’n vier zaterdagen per trimester zit het stamp- en stampvol, wanneer de Ohio State Buckeyes een thuiswedstrijd spelen. Gisteren was één van die zaterdagen. Er werd gespeeld, en wel tegen San Diego University.

Op een game-day verandert de campus totaal van aangezicht. In het hele gebied rond het stadion verandert elk pleintje en elke parkeerplaats in een openbare drinkgelegenheid (natuurlijk wel afgezet met hekken, en identiteitscontrole bij de ingang, want er zal toch eens iemand onder de 21 een glas bier bemachtigen) Vanaf een uur of 11 ’s ochtends wordt er overal gedronken en muziek gedraaid, spelen er live bandjes en worden de straten gevuld met karretjes die broodjes met gebarbecued vlees verkopen. Niet alleen studenten, maar de halve stad komt op de campus af om in de feestvreugde te delen. Overal dikke Amerikanen op sneakers die blikjes Budweiser aan het leegdrinken zijn. Ook populair is ‘tailgating’: je auto ergens parkeren, de campingstoeltjes en de barbecue uitladen en op die parkeerplaats de dag doorbrengen met een 24-pack Budweiser, een tv, en tientallen mede-tailgaters. (Tailgate is een Amerikaans woord voor kofferbak) Het lijkt eigenlijk verdraaid veel op Koninginnedag, met de kanttekening dat ze hier niet in oranje rondlopen, maar in ‘scarlet and gray’, de kleuren van OSU.
Deze kledingcode wordt hier overigens zeer serieus genomen: iedereen, maar dan ook iedereen, loopt in een rood of grijs OSU-shirt op een game day. Omdat ik op de één of andere introductiequiz een grijs OSU-shirt had gewonnen (door te weten wie de vijfde president van de Universiteit was :-) ), kon ik perfect in de menigte opgaan, zonder argwanende blikken van derden.

Ikzelf had met Vin, Vincent en Machteld om 11 uur afgesproken de boel eens te gaan verkennen en kaartjes te veroveren. Aan de kassa kosten kaartjes 60 dollar, maar er bestaat een levendige zwarte handel: op elke straathoek staan louche figuren die overschietende kaartjes van mensen opkopen en ze met winst weer verkopen. De wetten van de vrije markt werken optimaal in Amerika, en de kunst is om zo lang mogelijk te wachten: vlak voor het spel kun je kaartjes krijgen voor vrijwel niets.
De tussentijd moest, trouw aan de edele tradities van het American Football, gevuld worden met drinken. Aangezien mijn eerste ontmoeting met campus-drinken toch niet geheel naar tevredenheid was verlopen, hield ik mij braaf aan het water en de cola. Ondertussen werden Vin, Vincent en Machteld steeds losser. Vin keek me bezorgd aan, en uitte zijn vrees dat ik zonder het nuttigen van enige alcohol het hele gebeuren onmogelijk op waarde kon schatten. Ik vermaakte me echter kostelijk, zij het vanuit een soort antropologische interesse. Toen ik dit aan Vin, zelf een groot American Football-fan, uitlegde viel mij een argwanend ‘Don’t study us, man!’ ten deel, in reactie waarop ik slechts kon grijnzen.
Nadat we, een kwartier voor het begin van de wedstrijd, dan eindelijk kaartjes hadden bemachtigd (Vincent en Machteld twee voor 60 dollar, en Vin en ik vijf minuten later twee voor 25 dollar, dankzij de uitstekende afdingtechnieken van voornoemde Canadees), togen we met duizenden andere fans richting het stadion.

Mijn eerste ontmoeting met American Football was eigenlijk heel leuk. Omdat OSU een veel beter team heeft dan SDU, hadden de San Diego fans de verre reis maar gewoon laten zitten en zat het stadium helemaal vol scarlet-and-gray, en de stemming was uitgelaten. Wel was ongeveer de helft van de fans stomdronken, wat niet verbazingwekkend is als je bedenkt hoe iedereen de ochtend en middag had doorgebracht.
De regels van het spel zijn enorm complex, en er komt een enorme hoeveelheid strategie bij kijken. De eerste helft begreep ik werkelijk niets van wat er zich op het veld afspeelde, maar langzamerhand begon ik het door te krijgen. Het is werkelijk een onderschat spel: een soort kruising tussen worstelen, voetbal en schaken.

Aan sommige dingen was wel weer duidelijk te merken dat we in Amerika waren: zo was er een speciale militaire tribune, waar uit Ohio afkomstige militairen zaten die in Irak en Afghanistan gediend hadden. Op een zeker moment tijdens de wedstrijd werden deze aangekondigd door de speakers, en stonden ze op om een gigantisch applaus in ontvangst te nemen. Ook boeiend was de ‘marching band’ die tijdens de rust het publiek vermaakte: een gigantische fanfareband in gigantische uniformen die tot in het absurde gedrild was om de meest idiote formaties op het veld te maken. Het toppunt was wel de Amerikaanse vlag die ze op zeker moment vormden. Met hun strak georkestreerde gemarcheer wisten ze deze vlag zelfs te laten wapperen. Geen kleine prestatie, en leuk om naar te kijken, maar het maakte toch een enigszins militante indruk op me.

American football is voor de studenten en de universiteit een bloedserieuze aangelegenheid. De Buckeyes zijn niet alleen het team van Columbus, maar zijn gelieerd aan de universiteit zelf. Waar de meeste Nederlanders niet echt een gevoel van trots hebben over hun universiteit, bestaat hier een sterk OSU-patriotisme, dat onder andere wordt belichaamd door een enorme trots op het footballteam. Het zijn niet alleen elf idioten die een spelletje spelen: het is de eer van je universiteit die daar beneden op het veld wordt verdedigd. Daarnaast is football belangrijk voor OSU omdat het enorm veel inkomsten genereert. Het stadion is eigendom van OSU en de winst op de kaartjes komt ten goede aan de universiteit. Ook de trademarks op alle OSU-shirts, zonnebrillen en aanverwante prullaria berusten bij de Universiteit, en neem van mij aan dat daar een heleboel van verkocht worden.

Nadat San Diego University met 27-6 was afgemaakt ging het drinken rond het stadion onverminderd verder, tot diep in de nacht. We hebben Vin tot ‘honorary Dutchman’ gebombardeerd, en ik heb de meest onzinnige gesprekken gevoerd met allerlei Amerikanen die ik niet kende. Het voelt bijna als in een jeugdherberg zitten: het Nederlandse drugsbeleid verdedigen, samen op Bush zeiken (Columbus was dat gedeelte van Ohio dat op Gore stemde. Helaas deed het platteland dat niet), mensen ‘Scheveningen’ laten zeggen en alle vooroordelen over je eigen land bevestigen. Een American football-game is een maf circus, maar ik zou bijna overwegen om de volgende keer weer te gaan.



De oplettende blogbezoeker zal het zijn opgevallen dat er rechts een oranje knopje is verschenen, dat er eerst nog niet was. Dit is een link voor gebruikers van RSS/XML/atom. Als je een programma als RssReader hebt, kun je je abonneren op sites die RSS ondersteunen. Op die manier kun je zien of er een nieuwe post is bij het opstarten van je computer, zonder er elke keer heen te hoeven surfen. Onder andere de site van NRC Handelsblad ondersteunt ook RSS, en ik ben onder de indruk van hoe handig dit programma is. Het is echt Internet a la carte wat je krijgt.
Wat te doen? Volg de link, en je krijgt een bak code op je scherm. 'Copy' de URL (het adres). Selecteer in RssReader 'Add', en merk op dat de URL er al staat. Klik op next, next, toevoegen en voila.

zaterdag, september 17, 2005

Ziek

Gisteren was het grote introductiefeest, waar zo'n 1000 van de 4000 internationale studenten aan deze universiteit verschenen om sociaal te doen. Het was 's middags en mooi weer. Uiteindelijk leidde het feest mij, en 2 Nederlanders een Brit en een Canadees, naar de overkant van de straat, waar Chris de Brit, Vin de Canadees en Vincent de Nederlander alledrie bewezen dat ze een hogere alcoholtolerantie hadden dan ik. Hoewel ik maar 4 glazen meedronk en daarna naar huis ging, merkte ik gisteravond al dat het fout liep. En jawel: vanochtend was ik waarlijk ziek, en ik heb de hele dag een beetje op mijn kamer doorgebracht. Waarschijnlijk was ik stiekem toch wel moe ofzo.

Mijn kamer is ondertussen echter van alle gemakken voorzien. Een goedkope tweedehands gettoblaster speelt muziek, mijn Internet doet het, er staan boeken op de boekenplank, een fruitschaal op de kast, en ik kom de dag wel door.
Vin, de Canadees met wie we gisteren uit drinken waren, belde me zojuist om te vragen of ik morgen meeging naar een American-football-wedstrijd, morgen in het enorme stadion. In het kader van gezelligheid en acculturatie dacht ik dat dat inderdaad wel leuk zou zijn. Dus daar gaan we, morgen.

Deze dag heb ik onder andere te baat genomen om een beetje aan mijn weblog te sleutelen. Zie de nieuwe links (lees allemaal The Onion! Is fantastisch!), en aan enkele eerdere posts zijn plaatjes toegevoegd. Op verzoek van Frits een plaatje van Geoffrey Parker bij 'orde op zaken', en een plaatje van mijn monstrueuze woonruimte bij de post 'Columbus, OH 43210' (Wat overigens echt de postcode van de campus is.) Dit om jullie een beetje een indruk te geven van mijn leven hier. En nu ga ik me dan toch maar aan wat eten wagen. (Een hamburger misschien?)

donderdag, september 15, 2005

Orde op zaken

Ondertussen zijn we een dag verder, en heb ik voor mijn gevoel ongelooflijk veel gedaan. Laat ik beginnen met het relativeren van mijn negatieve beschrijving van Columbus, gisteren. Alles wat ik daar schreef was waar, maar een busrit naar het centrum maakte duidelijk dat deze stad ook een leuk stuk heeft, al is het zo groot als een postzegel. De bebouwing is er mooi, het heeft er alle schijn van dat je er normaal kunt eten, en de Amerikaanse stadsplanners hebben om de een of andere reden vergeten de drie theaters te slopen: deze zijn allemaal begin 20e-eeuws en schitterend. Een beetje in de stijl van Tuschinski. Het Ohio Theatre doet een hoop toneelstukken en huisvest het Columbus Symphony Orchestra, waar Rene Fleming gastdirigent is. Ze hebben studentenkaartjes voor 9 dollar. Ik heb elk foldertje dat de karige tourist-info had meegeplunderd, en geloof dat ik toch wel lol ga hebben in het centrum van Ohio.

Verder moet er georganiseerd, en dat is eigenlijk heel erg leuk. Het is net als voor het eerst op kamers gaan wonen: ik heb gisteren borden, glazen en kopjes gekocht, heb een zwakke poging gedaan Internet op mijn kamer aan de praat te krijgen (het werkt nog niet), heb een pre-paid mobiele telefoon genomen, heb een goede supermarkt gevonden (en wat Arabische en Chinese winkeltjes) en zo nog een heel aantal dingen. Mijn kamer begint zowaar een schijn van gezelligheid te krijgen, en de wekkerradio die ik heb gekocht ontvangt nog best wat leuke zenders. Morgen ga ik naar een Pawn Shop (tweedehands-zooiwinkel) om een soort gettoblaster te kopen. Misschien krijg ik internet morgen ook wel aan de praat.

Vandaag stond de dag eigenlijk geheel in het teken van de introductie. Ook dit was een zeer Amerikaans geheel. Een volgepakte zaal met internationale studenten werd van 8 uur ’s ochtends (fascisten) tot kwart over vijf ’s middags beziggehouden door verschillende sprekers, van mensen van het sportcentrum tot politie-agenten. Grappig om te zien is hoe Amerikanen het nodig vinden om het publiek op te warmen. De eerste spreker begon als volgt:

Spreker: “Good morning!”
(stilte)
“I said good morning”
(Drie mensen roepen timide good morning)
“I said: good morning!”
(Een aantal mensen brult good morning terug)
“What’s that?”
(Meer mensen beginnen good morning te brullen)

Andere sprekers deden steeds iets soortgelijks. Het toppunt was wel de vrouw van het sportcentrum, die de hele zaal liet opstaan om een soort Buckeyes-yel te doen (de Buckeyes zijn het OSU-footballteam) Riep zij: “O-H”, dan werd de zaal geacht “I-O” terug te roepen. Het had iets aanmatigends. Maar het ergste is dat het nog werkte ook.


Net na de lunch had ik een excuus om een onderdeel over ‘academic misconduct’ te ontvluchten. Dat spieken niet mag wist ik al, en ik had een afspraak met de man waarvoor ik hier ben: Geoffrey Parker. Enigszins zenuwachtig toog ik richting zijn kantoor. De man bleek nog vooroordeelbevestigender dan ik dacht: hij is een archetypische mega-geleerde professor zoals je ze in films zou aantreffen. Hij heeft een baard, loopt met een stok, spreekt upperclass Engels waar je niet goed van word, en is zeer aristocratisch in de omgang. Op zijn kamer liggen er gehaakte kleedjes over alle kasten en tafels. Zijn muur hangt vol (werkelijk vol) met eredoctoraten, titels en oorkondes. Gepromoveerd aan Cambridge, eredoctoraat in Leuven, Aberdeen... een stuk of twintig papieren en gouden plaquetten. Hij was erg aardig, en wist tussen drie dubbele afspraken door even een studieprogramma met me in elkaar te sleutelen. Ik zal jullie er niet mee lastigvallen, maar het wordt erg leuk, allemaal. En hard werken.

De introductie heeft het ijs hier min of meer gebroken, goddank. De flat waar ik woon is vrijwel gevuld met internationale studenten, maar tot vandaag stond iedereen naast elkaar in de lift zonder een woord te wisselen, en negeerde iedereen de rest zo hard mogelijk. (Vooral de Chinezen) Nu is dat anders. Er is spontaan een soort gezellige sfeer ontstaan, er wordt gepraat, er worden telefoonnummers uitgewisseld, etcetera. (Zelfs de Chinezen doen mee) Het is leuk om met een heleboel niet-Amerikanen te kunnen praten. Het heeft er alle schijn van dat het grote introductiefeest van morgen heel erg leuk gaat worden.

dinsdag, september 13, 2005

Columbus, OH 43210

En toen waren we dus een goede 800 kilometer landinwaarts, in Columbus, Ohio. Eergisteravond om kwart over tien reed mijn Greyhound-bus weg uit de Port Authority Bus Terminal. Aangezien treinen in de VS niet langer een geaccepteerde vorm van transport zijn, was dat busstation gigantisch: zo’n 300 ‘gates’ verdeeld over twee verdiepingen.
Greyhound is de grootste, goedkoopste en meest beruchte busmaatschappij van de VS. Het is de goedkoopste manier om van A naar B te komen, maar terdege oncomfortabel. Het is dan ook een uitstekende manier om in contact te komen met de onderlaag van de Amerikaanse samenleving: al in de terminal scholden de mensen in de rij elkaar werkelijk de huid vol over het feit dat anderen ‘voordrongen’ en zij er toch echt al langer stonden, wat ontspoorde in een idiote ruzie. Gezellig.
Ook in de rij stond Vincent. Vincent is een Nederlandse student die eveneens aan OSU gaat studeren, die net als ik de gelegenheid te baat had genomen om eerst New York te bezichtigen, en daarna de goedkoopste transportoptie naar Columbus nam. Dit was wel een tof toeval: we waren de enige twee buitenlanders in de bus. Hij bleek vervolgens twee verdiepingen hoger in dezelfde flat als ik te wonen.

Columbus is een vooroordeelbevestigende mainland-Amerikaanse stad. Het bestaat uit eindeloze rechte, veel te brede autowegen, geflankeerd door lage bakstenen en golfplaten gebouwen met platte daken. De stad wordt doorsneden met Highways op betonnen verhogingen, die het verkeer over de zich eindeloos uitstrekkende bebouwing heen direct naar het centrum voeren. In het centrum staan wat wolkenkrabbers, maar niet erg veel. Ze staan vrijwel allemaal op de foto in de titelbalk. Al met al is het een stad zonder geschiedenis, en voor zover ik kan zien zonder zinnige opbouw. Het is een zich in alle richtingen uitstrekkende vlek van bebouwing.
De campus, vrijwel in het centrum van Columbus gelegen, is dan wel weer erg mooi. OSU bestaat al wat langer, en het midden van de campus bestaat uit parkjes, grasvelden, en gebouwen in de zo typerende Amerikaanse bouwstijl van rond 1900. Elk gebouw doet een poging er uit te zien als een Griekse tempel of een oud Europees kasteel, maar ze weten het elke keer toch net niet goed te krijgen. Toch heel erg mooi. Ikzelf moet het met een minder idyllische locatie doen: tien minuten lopen van het oude gedeelte van de campus zijn enkele gigantische bijlmer-achtige flats neergekwakt om het enorm gegroeide aantal studenten te kunnen huisvesten. Daar zit ik. Ik geloof niet dat ik heel veel tijd op mijn kamer door ga brengen.

Verder zijn alle vooroordelen over Amerikanen waar. Normaal eten is hier (inderdaad) onmogelijk. Hieraan zal ik binnenkort een apart stukje wijden, maar laat ik vast verklappen dat drinken hier inderdaad standaard in glazen van ¾ liter wordt geserveerd, het in een campus met 55.000 studenten toch nog onmogelijk blijkt om een restaurant te vinden dat geen onderdeel uitmaakt van een fastfood-keten, en dat het hele concept koffie toch nog maar eens moet worden uitgelegd aan de Amerikanen. Het is hier fantastisch weer maar in elk restaurant, elk gebouw en elke bus staat de airco zo hard aan dat het onaangenaam koud is. Men is hier inderdaad gek van American Football. Midden op de campus staat een stadion ter grootte van de Arena, en bij elke wedstrijd zit dat vol. (Kaartjes kosten 80 dollar.) Over enkele dagen is er een wedstrijd tegen de Texas Rangers, en elke winkel heeft een uithangbord met iets als ‘Go Bucks, beat the Rangers’ Later deze maand spelen ze tegen Michigan State. De teams van OSU en MSU zijn de grootste rivalen uit de hele Amerikaanse sportwereld, en deze wedstrijd wordt dan ook het sportevenement van het jaar. Nou ja, laat ik zeggen dat er tientallen grote en kleine dingen zijn waaraan je hier merkt dat je op een ander continent bent.

De cultuurschok daargelaten voelde ik me vanochtend toch wel extreem goed toen ik, met mijn bekertje Amerikaanse meeneemkoffie in de hand, over The Oval, het grote grasveld in het midden van de Campus, naar het International Student Office liep om mijn papieren in orde te krijgen. Dit is een vette universiteit en de lessen zijn nog niet eens begonnen. Ik ga me hier best vermaken.

Mijn monsterlijke studentenflat, genaamd Jones Tower. Het feit dat ze zoveel mogelijk boom en zo weinig mogelijk flat op deze foto hebben geprobeerd te krijgen kan de lelijkheid van het gebouw alsnog niet verhullen. Gelukkig is het grootste deel van de campus een stuk mooier.

zondag, september 11, 2005

Vertrek en 11 september

Het is zondag, en het is 11 september. Deze twee feiten kunnen niet verhinderen dat Marike vandaag gewoon om 8 uur opstond om de hele dag audities te houden voor de twee grote producties die zij en haar mede-aspirant-regisseurs dit semester op de planken moeten krijgen. Het is tevens (voorlopig) mijn laatste dag in New York: vanavond om negen uur neem ik de Greyhound naar Ohio, alwaar het studiegedeelte van mijn verblijf in de States begint.

Nadat ik vanochtend een bezoek had gebracht aan het Sky Scraper Museum (dat ik iedereen van harte kan afraden: een kaartje kost voor studenten minder dan een hotdog, maar ik zou voor de hotdog kiezen. En dan te bedenken dat ik van hotdogs al niet bepaald onder de indruk ben.), besloot ik toch maar even langs Ground Zero te lopen. Bij het gapende gat in Lower Manhattan was dan toch wel iets te merken van de vierde verjaardag van de aanslagen: in een straal van zo’n honderd meter rond Ground Zero regelden grote hoeveelheden politie het verkeer en stonden grote hoeveelheden brandweerwagens opgesteld. De brandweer leek echter veeleer aanwezig om de gevallen collega’s te herdenken dan om een eventuele brand te blussen: alle brandweerlieden liepen in hun keurig uniform. Verder: heel veel tv-ploegen en heel veel mensen. Door een luidspreker lazen familieleden van de slachtoffers steeds een aantal namen van de overledenen voor. De sfeer was echter nauwelijks verdrietig of gelaten te noemen: het grootste deel van de mensenmassa leek, net als ik, meer uit nieuwsgierigheid dan uit verdriet op het gebeuren te zijn afgekomen. Iets ten noorden van Ground Zero schreef een vliegtuig letters in de lucht, maar niets dat met de herdenking te maken had: ‘Drink Heineken’ was de boodschap waarop de bezoekers werden getracteerd.

In de rest van de stad is weinig te merken van de herdenking van de aanslagen: de winkels zijn op zondag gewoon open in New York, ook op 11 september. Kerken houden speciale diensten, vanavond zal er een soort herdenking zijn aan de Hudson, waarbij mensen kaarsjes de rivier zullen laten afdrijven, en om precies 9:11pm zullen de lampen die het Empire State Building verlichten een minuut lang uitgaan. Maar dat is het wel. Het leven gaat door, en de straten en metro’s zijn vandaag net zo druk als de hele afgelopen week.

In de metro zittend realiseer je je wel hoezeer New York zich er niet onder heeft laten krijgen door de aanslagen van 11 september. Als er in Nederland een regisseur, die moslims steevast aanduidt als geitenneukers, wordt doodgeschoten, is het huis meteen te klein, gaan er moskeeën in de hens, moet het ‘publiek debat’ over ‘de Islam’ worden ‘aangezwengeld’ en vreest Maurice de Hond dat Nederland zal afglijden naar een soort Weimar-republiek. New York, waar moslimextremisten vier jaar geleden de grootste terreuraanslag ooit uitvoerden, blijft een vrolijke, drukke maar vooral ook cosmopolitische stad. De taxi’s worden gereden door Sikhs met tulbanden. In elk winkeltje word je bediend door Mexicanen en Puertoricanen. (Leuk feit: meer dan de helft van hen is illegaal, maar de Immigratiedienst ICE doet hier niets aan. Deze mensen zijn broodnodig voor de economie, en worden dus gewoon met rust gelaten.) De kapper die ik gisteren bezocht werd gerund door mensen uit de Oekraine die hier een jaar geleden waren aangekomen. De metro zit vol met mensen van elke achtergrond. Kijk je omhoog naar de reclamceborden, dan zie je borden van universiteiten die cursussen Engels aanbieden in de avonduren, rechtswinkels die je kunnen helpen met immigratiepapieren, en, nog wel het mooiste, de oproep tot gemeenteraadsverkiezingen (komende dinsdag) in het Engels, Chinees en Spaans. ‘Educate yourself and vote!’ staat er in alle talen. Ik zie al voor me wat voor rel de een of andere zielige Nederlandse politicus zou gaan schoppen zodra er Turkse en Arabische reclameborden in het straatbeeld zouden verschijnen, vooral met betrekking tot verkiezingen. Vergeleken met New York is Nederland niet tolerant, maar wel kleingeestig, bangig en xenofoob. Helaas deelt de president van dit land de ruimdenkendheid van de New Yorkers niet. Bush wordt hier in de pers dan ook nog veel harder aangepakt dan in Nederland. De mensen hier haten Bush.

Ik vind New York een fantastische stad, en zal er vanavond met enige spijt afscheid van nemen. Dan gaat het landinwaarts, naar de ‘swingstate’ Ohio (die uiteindelijk toch nog voor Bush stemde), en de grootste campus van de VS. OSU heeft de naam de grootste ‘party-university’ van de VS te zijn. Ook zijn ze er helemaal gek van American Football. Niettemin heeft het een erg goede reputatie. We gaan het allemaal zien.



PS Die foto dat ben ik echt! Ik had vroeger die trui. Mijn vader vond deze foto, was perplex door het toeval en heeft toen mijn broertje gevraagd om in te breken in mijn site (hij heeft het wachtwoord) en de foto van Coen en mij te vervangen door deze. Toen ik vanochtend inlogde was ik zelf ook totaal verbaasd.

vrijdag, september 09, 2005

Eten in New York

In het vliegtuig hierheen was ik aan de praat geraakt met een New Yorker. Het gesprek voerde langs verplichte nummers als onze reisdoelen, het afzeiken van Bush (wat hij nog fanatieker deed dan ik), de overstroming in New Orleans, het feit dat hij Amsterdam weleens had bezocht (en het een ‘fabulous city’ vond) en al dat soort dingen. Toen het vliegtuigpersoneel het verplichte doosje met ranzig vliegtuigvoer kwam langsbrengen, bracht dat ons op nóg een verplicht gespreksonderwerp tussen Amerikanen en... wel, alle andere wereldbewoners: hun eetgewoontes. “Preparing you for the American junkfood!”, zei hij, terwijl hij afkeurend naar het treurniswekkende broodje en het zakje chips keek. Ik reageerde dat dat in New York toch echt wel meeviel. “Oh no, not New York! But wait till you get to Ohio...” sprak hij duister.

New York heeft een eetcultuur op zichzelf, die hemelsbreed verschilt van wat we in Nederland gewend zijn. Thuis eten is in feite totaal onnodig in New York: je staat ’s ochtends op en loopt naar buiten, en treft daar vanaf 7 uur ’s ochtends op elke straathoek een aluminium stalletje aan, met daarin een Pakistaan of Indiër die koffie, bagels, en donuts verkoopt. Voor de mensen die gezond willen doen staat er vijf meter verderop een Puertoricaan of Mexicaan een paar soorten fruit te verhandelen. Een koffie: tussen de 75 cent en een dollar. Een donut: 50 cent. Een bagel met creamcheese: nooit meer dan een dollar. De New Yorker haalt dus een ontbijt bij een stalletje à 2 dollar 25, en haast zich naar de metro.

Ik weet niet hoeveel honderden kilometers straat Manhattan heeft, maar ongeveer een derde van die kilometers is gevuld met winkels die in eten doen. Het meest voorkomend zijn de deli’s, winkeltjes die een klein supermarktje combineren met een bar waar je broodjes en koffie kunt halen. In deze deli’s, die qua verfijning onderaan de ladder staan, merk je af en toe toch dat New York in Amerika ligt. Toen ik eergisteren één van deze deli’s betrad om een broodje te kopen, werd me dat ernstig duidelijk. Ik bestelde een ‘cheese on a roll’, een broodje kaas dus. “Everything on it?”, vroeg de Mexicaan die me bediende. Ja, waarom niet. Een minuut later liep ik naar buiten met een broodje waarop zich, als je goed zocht, inderdaad wat kaas bevond, maar dat voor het overgrote deel was volgestouwd met ei en bacon. Een vet geheel, dat de honger voor de rest van de dag inderdaad in bedwang hield. Welcome to America.
Wat verder downtown is het aanbod aan eten enigszins anders. Hier wonen de linkse, hippe yuppen en de NYU-studenten (ook links en hip). Ook daar is het zeer goed mogelijk om een ‘cheese on a roll with everything on it’ te krijgen, maar wordt het voedselaanbod gedomineerd door saladbars, verse smoothie-tentjes, hippe restaurants (die ook rond het middaguur stampvol zitten) en snelle sushi-tentjes.

De restaurantindustrie van New York zou je kunnen beschouwen als de perfecte vrije markt: oneindig veel aanbieders en totale transparantie. Het eiland Manhattan alleen al kent zo’n 5000 restaurants, en hun wel en wee speelt duidelijk een belangrijke rol in het dagelijks leven van New York. De TimeOut, de Uitkrant van New York, wijdt wekelijks zo’n twintig pagina’s aan voedselrecensies. Waar Johannes van Dam wekelijks één restaurant voor zijn rekening neemt (en misschien nog een woord of wat over de juiste bereiding van broccoli schrijft), vermeldt de TimeOut ieder nieuw restaurant en recenseert het meteen een flink aantal. In de pagina’s daarna worden per wijk een aantal restaurants gerecenseerd: in het exemplaar dat ik nu voor me heb liggen een totaal van 127. Elke week. De rol die eten in het leven van New Yorkers speelt wordt verder duidelijk bij het lezen van de artikelen: naast acteurs, regisseurs en fotografen interviewt dit blad ook chefkoks. Paginagrote foto’s van de charismatische chef sieren het artikel, met daarnaast strijdlustige streamers als “We hope to redefine what the top end of fine dining can be.”
Manhattan heeft zelfs een eigen restaurant-zoekmachine, menupages.com. Selecteer het soort eten (Italiaans, Amerikaans, Japans, maar ook Indonesisch...), een prijsklasse en het gebied waarin het restaurant zich moet bevinden, en de zoekmachine vertelt je wat er allemaal te koop is.
Alle restaurants zijn tamelijk goed. New Yorkers hebben geen genade voor matige, slechte of te dure restaurants. Een restaurant dat onder de maat is, is binnen de kortste keren failliet. Goede restaurants, daarentegen, verwerven ook grote faam. Het sushi-restaurantje waar Marike en ik gisteravond aten (Tomoe Sushi, op Thompson Street) was duidelijk goed: toen we er aankwamen stond er op straat een meterslange rij. Vlak om de hoek was een ander sushi-restaurant, en dat was vrijwel leeg. Men bleef echter liever een half uur in de rij staan dan naar dat andere restaurant te gaan. (De sushi, het moet gezegd, was het wachten meer dan waard.)

Gezien de enorme kwaliteit en de relatief lage prijs in de restaurants van New York, is het des te merkwaardiger dat de supermarkten hier echt verschrikkelijk zijn. Verse groente en fruit zijn duur en niet per se lekker, het brood is allemaal lang houdbaar, en een enorm deel van de producten heeft een hoog onzingehalte. Waar het in Nederland heel gebruikelijk is om mensen thuis uit te nodigen om te komen eten, doen New Yorkers daar helemaal niet aan, en vinden het zelfs merkwaardig. Als je afspreekt om samen te gaan eten, dan is dat vanzelfsprekend in een restaurant.

New York zou echter New York niet zijn als ook daar niet uitzonderingen op bestonden. Marike, bij wie ik verblijf, houdt stug vast aan haar Europese eetgewoontes: ’s ochtends gewoon thuis ontbijten met normale yoghurt en lekkere koffie, ’s avonds meestal zelf koken. Dat is mogelijk dankzij Fairways, een supermarkt op Boadway, en waarschijnlijk de meest fantastische op de planeet. Fairways verkoopt alles wat je je mogelijkerwijs zou kunnen wensen op het gebied van eten. De grootste groente-afdeling die je ooit hebt gezien, honderden soorten kaas, alle denkbare soorten olijven, vele tientallen soorten koffie (niet in de vorm van vacuümpakken, maar gewoon zakken met bonen die een medewerker voor je schept en maalt), een visafdeling waar de meeste viswinkels bij verbleken, vers gebakken brood in alle soorten en maten. Dit is vervolgens geen luxe, enorme supermarkt, maar een rommelige en gezellige winkel op een straathoek. De rekken staan er zo dicht mogelijk op elkaar gepropt om er maar zoveel mogelijk kwijt te kunnen, en honderden New Yorkers lopen elkaar hopeloos in de weg met hun karretjes. En absurd genoeg is het allemaal stukken goedkoper dan in een ‘normale’ Amerikaanse supermarkt. Fairways, kortom, is simpelweg te mooi om waar te zijn. Helaas heeft Fairways maar één andere vestiging, en die is ook in New York.

Wanneer ik over twee weken bij de pizza-hut op de campus zit, zal ik met heimwee terugdenken aan de New Yorkers met hun obsessie voor goede restaurants, en aan die ene fantastische supermarkt op 74nd street & Broadway.

donderdag, september 08, 2005

Nostalgie naar (Nieuw) Amsterdam

Het begin van mijn studentenbestaan aan Ohio State University staat gelukkig nog een aantal dagen van me af. Ik typ deze woorden in Marike’s apartement, al Bach luisterend en koffie drinkend. Als ik straks de trap afdaal en naar buiten loop, dan is het daar zo’n 25 graden en zonnig. Sla ik linksaf, dan ben ik binnen drie minuten bij Central Park, en nog eens vijf minuten later op de Museum Mile, een stuk van Fifth Avenue dat enkele van de meest schitterende musea ter wereld herbergt. Sla ik rechtsaf, dan ben ik binnen twee minuten bij een metrostation dat de rest van New York binnen handbereik brengt.

Gezelligheid met Marike blijft beperkt tot de ochtend- en de avonduren: ik kan een beetje doen wat ik wil, maar zij is, zo aan het begin van het semester, alweer ruim acht uur per dag met haar studie bezig. Een van de goede dingen aan een jetlag (nadat de ergste dufheid is verdwenen) is echter dat je elke ochtend al heel vroeg wakker bent. Marike en ik zitten dus elke ochtend iets na achten samen aan het ontbijt, en staan rond negen uur op de stoep: zij vertrekt richting faculteit, en ik trek de stad in.

New York is niet alleen verschrikkelijk mooi: het is ook een stad met een waanzinnig interessante ontstaansgeschiedenis. Toen ik hier in mei was om Floris op te zoeken, was Floris mijlenver verdiept in de stadsgeschiedenis van New York, en wakkerde met allerlei verhalen mijn interesse voor dit onderwerp aan. Toen ik moest bedenken waarmee ik mijn dagen hier eens moest gaan vullen, besloot ik me daar dan ook maar eens op te storten.

Het eerste museum dat ik bezocht was dan ook de New-York Historical Society. Nee, het liggende streepje is geen taalfout van mijn kant: dit museum is opgericht in een tijd dat de Engelse spellingsregels nog heel anders waren, namelijk in 1804. Het oudste museum van de Verenigde Staten. Ik zal jullie er niet te veel mee lastigvallen: het is een merkwaardig museum, vol rariteiten. De stoel waarop Washington als president werd ingehuldigd, een Nederlands schoorsteenstuk uit een oud herenhuis (toen het hier nog gewoon Nieuw Amsterdam heette), wat schilderijen van beroemde Amerikanen, beelden die ooit ergens in New York stonden, kamers vol Tiffany’s-Lampen, maar bijvoorbeeld ook brokken van de 9/11 vliegtuigen... Alles torenhoog opgepakt in een soort opslagstellages achter glas. Het museum zou niet hebben misstaan als het rariteitenkabinet van een geschifte wetenschapper in een Disneyfilm.

Echt gaaf was het Museum of the City of New York, waar ik gisteren mijn hele ochtend heb besteed. Indertijd stond dat museum hoog op het verlanglijstje van Floris en mij, maar volgens mij zijn we er uiteindelijk geen van beiden heen geweest. Ik althans niet. Dus moest dat er nu maar van komen.
Toen ik in mei in New York was, schreef Floris allerlei papers over stadsnostalgie in de kunsten en de collectieve beleving: het altijd heersende idee dat de stad vroeger mooier was dan nu, en dat het er almaar lelijker op wordt, en dat de echte schoonheid van de stad verloren is in het verleden. Als hij uiteindelijk niet gegaan is, dan moet dat hem spijten, want dit museum ging over stadsnostalgie.
Beneden was de meest fantastische fototentoonstelling. In de jaren ’30 werkte er in New York een fotografe genaamd Benedice Abbott, een beetje de Ed van der Elsken van die tijd en deze stad. Tussen 2000 en 2003 had een fotograaf al haar stadsgezichten genomen en was teruggegaan naar al die plekken, om in hetzelfde jaargetijde en bij voorkeur op hetzelfde uur van de dag weer een foto te nemen. Dat leverde zo’n mooi beeld op van hoe New York was veranderd: waar vroeger de oesterboten aan de kades van de East River lagen, waren nu betonnen kades. Vroeger was Manhattan gevuld met lelijke industrie en vervallen tenements, waar nu de enorme wolkenkrabbers en publieke behuizingsprojecten staan. De ‘Els’, of Elevated Railways, liepen in de jaren ’30 boven de straten van New York, maar zijn nu vervangen door de Underground. De stad, kortom, was echt van karakter veranderd.


Her en der leek er wel iets te zeggen voor dit gevoel van stadsnostalgie. Van de ranke, mooie wolkenkrabbers die aan het begin van de 20e eeuw in New York verrezen, en die het zelfvertrouwen van de groeiende stad uitstraalden, bleken er vele alweer afgebroken. Wat er nog staat is steeds sterker ingeklemd geraakt en aan het zicht onttrokken door nieuwe wolkenkrabbers: steriele, vormloze kolossen van beton en staal die, toen de stad in de jaren ’80 weer begon te groeien, liefdeloos zijn neergekwakt.
Ook de eindeloze woonprojecten die in de jaren ’60 de oude tenement-buurten hadden vervangen brachten een enorm verlies aan schoonheid en sfeer met zich mee. Het meest schrijnend en illustratief was echter een foto van het vroegere stadhuis van Queens: een schitterend 19e eeuws gebouw dat daar tot 1941 had gestaan, maar nu was vervangen, jawel, door een McDonald’s-Restaurant, in een laag, golfplaten gebouw.
Andere foto’s stelden je echter bijna gerust: waar vroeger de vage Chinese etenswinkeltjes in Chinatown waren, waren nu nog steeds vage Chinese etenswinkeltjes. Sommige mooie panden waren gered doordat ze op monumentenlijsten waren beland, zoals de pakhuizen aan de kades van Brooklyn. Andere gebouwen hadden de eeuw gewoon op eigen houtje overleefd. De stadsplanners van New York hebben de neiging meedogenloos om te gaan met hun stad, maar waren er toch niet in geslaagd om in zeventig jaar alles wat mooi was aan het oude New York tegen de vlakte te leggen.

Boven werd het niet minder nostalgisch: daar was een tentoonstelling genaamd ‘The Destruction of Lower Manhattan’, eveneens een fotoreportage die in beeld bracht hoe alle oude tenementbuurten aan de Lower Eastside werden platgegooid voor de zich eindeloos uitstrekkende publieke bouwprojecten van Robert Moses. Die projecten staan vandaag nog, en bestaan uit troosteloze, gelijkvormige bakstenen flats die zich eindeloos uitstrekken langs de East River. Het was een grimmige verzameling foto’s, die inderdaad het idee in me opwekte dat er zoiets was als “The Lost City”. Geheel melancholisch liep ik verder.

Beneden toch nog geheel opgevrolijkt door één van die leuke Nederlandse dingen die je soms ineens in New York tegenkomt: één van de delen van het museum ging over de vroegste joodse bewoners van de stad. Die kwamen uit Amsterdam. Ik voelde me bijna thuis tussen de prenten van Amsterdam, de schilderijen van rijke Joden uit Nederland en de 17e eeuwse handschriften (van Peter Stuyvesant zelf!). Ook vond ik het een heel erg toffe gewaarwording dat ik de enige bezoeker was die al die onzin ook kon lezen. Vervuld met een totaal onzinnig gevoel van trots op Nederland en Amsterdam liep ik Central Park weer in. (Dat natuurlijk eigenlijk gewoon New Vondelpark had moeten heten, dat lijkt me duidelijk.)

Afbeeldingen: foto's van de tentoonstelling, waarop we kunnen zien hoe mooie wolkenkrabbers worden ingesneeuwd door lelijke. Veel van de foto's zijn te zien op www.nychanging.com, onder het kopje Rephotographs.

dinsdag, september 06, 2005

Welkom

Vanaf deze blog zal ik u allen in de toekomst op de hoogte houden van mijn vier maanden als student in de VS. Momenteel ben ik in New York, waar ik tot komende zondag bij Marike Splint zal bivakkeren en de tourist zal uithangen, om vervolgens per Greyhound verder te gaan naar de eindbestemming: Columbus, Ohio. Sinds ik hier vannacht per busje werd afgezet heb ik Marike's huis nog niet verlaten. Dat is natuurlijk zonde, want Central Park is hier maar een paar minuten lopen vandaan, en de 'Museum Mile', de straat waar alle grote en beroemde musea van New York zich bevinden. De hoogste tijd dus om achter dit beeldscherm vandaan te kruipen en de stad in te gaan.