vrijdag, oktober 21, 2005

Bekeert U! Het einde der tijden is nabij!

‘The heart of the Midwest’, zo luidt de reclameslogan die de VVV van Columbus gebruikt om de stad aan te prijzen. Je kunt je nauwelijks voorstellen hoe iemand dit als een aanprijzing zou kunnen opvatten. Het is zoiets als ‘Het bruisende middelpunt van Oost-Groningen!’ De Midwest is het meest rurale, meest conservatieve deel van de Verenigde Staten. De economie draait er met name op gras en koeien, en het grootste deel van de bevolking stemt Bush en houdt er nare, conservatieve denkbeelden op na.
Ook is de Midwest het meest evangelistische deel van de VS. Mensen hangen hier in grote aantallen een conservatieve vorm van Christendom aan, waarover ze bijzonder humorloos zijn en waarin concepten als ‘being born again’, ‘being saved’, de Hel en de Apocalyps een prominente rol spelen. Een vorm van Christendom, kortom, die zelfs voor de gemiddelde inwoner van Urk waarschijnlijk toch een tikkeltje te ver zou gaan.
Wat de VVV van Columbus wellicht eerder bedoelde, maar toch niet helemaal zo durfde te formuleren, is: ‘An oasis of liberalism and cosmopolitanism in the arid desert of evangelical America.’ Ohio is een battleground state, een staat waarvan het bij verkiezingen nooit te voorspellen is of ze Republikeins of Democratisch zullen stemmen. De reden dat dit hier zo spannend is is simpel: de drie grote steden, Cincinatti, Cleveland en Columbus, stemmen zwaar democratisch. Het platteland, echter, stemt zwaar Republikeins.

Niettemin kan het je op de campus van OSU met geen mogelijkheid ontgaan dat je je in een zwaar evangelistisch deel van de VS bevindt. OSU trekt studenten uit heel Ohio, en dat is in de sfeer op de campus duidelijk te merken. Op de introductiemarkt, ondertussen alweer een aantal weken geleden, was bijna een derde van het terrein ingeruimd voor de verschillende kerken, die daar hun best mochten doen zoveel mogelijk nieuwe bekeerlingen te vangen. Overal op de campus hangen reclameposters voor bijbelclubjes, uitnodigingen voor discussies over “What is sin really?”of algemenere mededelingen als “You must be born again – Jesus.” In de boekensectie van de lokale CVS (een soort supermarkt alias apotheek) vinden we niet alleen bouquetromans, maar ook boeken getiteld The Apocalypse explained in 101 entries of het meest recente deel uit de Left Behind-serie, met een titel die de gelovige lezer weinig reden tot speculatie laat: Soon!
Ook de samenstelling van mijn mede-koorleden bleek wat verrassingen voor me in petto te hebben. Pas na een aantal repetities viel me op hoeveel mensen een kruisje om hun nek droegen. Op zich geen drama, maar op een feestje bleek dat een heel flink aantal van hen getrouwd was. (Let wel: de meesten van hen zijn jonger dan ik.) Ook schokte het me nogal toen we terugreden van een optreden door het Short North, de homobuurt van Columbus, en alle mensen met wie ik in de auto zat eendrachtig homo’s begonnen te verketteren en te beschimpen.

Mijn meest directe confrontatie met de fijne religieuze en morele waarden die men er in deze contreien op nahoudt, kwam echter gisteren, terwijl ik tussen mijn colleges door zat te lunchen in een ‘Mensa’ van OSU. Ik werd aangesproken door een sympathiek uitziende man van ongeveer 30, die zichzelf voorstelde als Eric, en zei dat hij studentenpastor was en een enquête hield over religieuze denkbeelden. Of hij me wat vragen mocht stellen. Natuurlijk mocht hij me wat vragen stellen.
Zijn vragenlijstje begon onschuldig genoeg: waar ik vandaan kwam, of ik religieus was opgevoed en dergelijke. Onze Eric maakte druk aantekeningen en knikte begrijpend. Of ik een doel voor mezelf in het leven zag. Of ik geloofde in een leven na de dood. Of ik het studentenbestaan in Columbus eenzaam vond. En zo ging het nog een tijdje verder.
Natuurlijk had ik de bui allang moeten zien hangen, maar ja. Op een gegeven moment was het vragenlijstje afgelopen en kwam Eric met een aantal, laten we zeggen, ‘suggesties.’ Uit zijn map haalde hij een plaatje tevoorschijn met de mens aan de ene kant van een afgrond, God aan de andere kant, en een groot kruis als brug. Ah, dus daar wilde Eric heen. Goed dan. In zo’n geval kun je drie dingen doen: 1) Eric beleefd doch dringend vragen weg te gaan en je aan je eten te laten. 2) Rustig knikken en dooreten tot Eric is uitgeraasd en uit eigener beweging vertrekt. 3) Met open vizier in de tegenaanval. Ik was wel in voor een discussie en ging voor optie drie.
De precieze argumenten doen hier niet terzake, maar de discussie was zeker boeiend. Eric had de mooie special effects (zoals boekjes met illustraties, waarin de precieze procedure van een kruisiging werd uitgelegd – een zekere sadistische fascinatie konden we Eric en de auteur niet ontzeggen), maar ze hielpen hem niet. Ik kreeg de indruk dat ik een enorm probleemgeval was voor onze ‘studentenpastor’: ik vertelde hem niet om op te flikkeren en nam hem gewoon serieus, maar wist hem wel simpelweg met argumenten op afstand te houden, en hem, naar ik hoop, zelfs de onwaarschijnlijkheid van een aantal van zijn standpunten te doen inzien.
Na vermoed ik ruim een kwartier van discussie had Eric er genoeg van. Hij deed een laatste poging in de vorm van een folder die hij me overhandigde. Omdat ik een ‘smart guy’ was, zou ik een boek over Jezus, geschreven door een rechtsgeleerde aan Harvard, zeker interessant vinden! Daarna stelde hij me nog, zeer beleefd en vriendelijk, enige vragen over Europa, waaronder: ‘What do you think of France?’
‘France is okay!’, antwoordde ik.
‘Really?’ antwoordde hij ongelovig, hiermee zijn politieke voorkeur duidelijk makend. Ook had onze studentenpastor een zekere interesse in concentratiekampen, en was hij (ook hij) benieuwd naar wat Europeanen van Amerika vonden. Hij liet zelf doorschemeren dat hij het belangrijk vond dat men achter de president stond, want deze had het al zwaar genoeg. Eendracht was belangrijk. Mijn repliek: ‘Sure, but you’re a democracy. If your leaders screw up, it is your duty to point that out to them’ deed duidelijk de deur dicht. Eric nam afscheid en ging op zoek naar andere internationale studenten die behoefte hadden aan de blijde boodschap.

Zo zagen onvoorwaardelijke steun aan ‘born again Christian’ George W. en religieus fanatisme, alsmede een totaal vertekend beeld van de wereld buiten Amerika, er dus van dichtbij uit. Achteraf vond ik het met name laag hoe onze Eric zich speciaal richtte op internationale studenten die alleen aan een tafeltje zaten.
Eric’s telefoonnummer staat vermeld op het foldertje. Als er nog mensen zijn die in deze postmoderne wereld de weg kwijt zijn en behoefte hebben aan een absolute waarheid: laat even weten, dan mail ik het door. Voor alle anderen: kijk alle afleveringen van RVU’s God bestaat niet nog eens rustig na op Internet en wees blij dat je niet in een klein dorpje in de Midwest geboren bent.

zondag, oktober 16, 2005

Concert in Columbus

Afgelopen vrijdagavond was de ‘homecoming parade’: een optocht door de campus van de marching band, de verschillende fraternities, de cheerleaders, de verschillende aan de universiteit gelieerde militaire instellingen en de koren van de universiteit. Wie er precies thuiskomt is me volsrekt onduidelijk (volgens mij de studenten), maar volgens de website is het een van de ‘great traditions’ van OSU. Traditie is hier echt een toverwoord, waar Amerikanen een soort vals besef van continuïteit uit schijnen te halen. Alles is traditie, van de Grondwet tot tailgating, en alle tradities zijn even verstoken van betekenis.

Ik liep mee in het koor. Ingeklemd tussen cheerleaders en carnavalswagens zongen we de verschillende ‘Buckeye-songs’, die we zelfs nog even voor een jury ten gehore moesten brengen. Na de optocht was er eten voor de deelnemers, en daarna zou er nog een optreden met het koor en de marching band volgen. ‘You’re getting a taste of American culture at its worst here, Tristan!’ zei de dirigent, niet voor het eerst, verontschuldigend tegen me terwijl we in de rij stonden voor het eten. Het is wel grappig hoe verschillende leden van het koor ineens onzeker worden over hun eigen tradities door de aanwezigheid van een buitenstaander. Het feit dat ik tamelijk onaangedaan blijf door alle pep-rallies voor het football-team en dergelijke (hoewel ik het best leuk vind liedjes te zingen op dat soort gelegenheden) maakt sommige mensen in mijn omgeving oprecht zenuwachtig.

Het optreden met de marching band bleef me bespaard: al een tijd geleden had ik met Machteld afgesproken die avond naar een concert van het Columbus Symphony orchestra te gaan. Zij was nog nooit naar een klassiek concert geweest en was wel benieuwd. Ik ontvluchtte de maaltijd dus en spoedde me naar een bushalte waar ik met Machteld had afgesproken.

Na een wat hectische reis naar het Ohio Theatre (de bussen over de campus reden niet dankzij de parade) kwamen we alsnog ruim op tijd aan bij het Ohio Theatre in downtown Columbus, het oude stadscentrum. Van de buitenkant heeft het Ohio Theatre een mooie bakstenen architectuur (een beetje zoals Carnegie Hall, maar dan wat kleiner), en ik had al begrepen dat het van binnen een schitterend gebouw was. Niets had me echter kunnen voorbereiden op de overdadige neobarok-modernistische architectuur aan de binnenkant van het gebouw. Op het Palau de la Musica in Barcelona na, is het Ohio Theatre de mooiste concertzaal die ik ooit heb bezocht. (Je krijgt ook sterk de indruk dat de architect van het Ohio Theatre zijn inspiratie heeft gehaald in Barcelona, of sowieso in Spanje) Net als de modernistische architecten in Nederland en Spanje was de ontwerper, een Schot genaamd Thomas W. Lamb, een linkse idealist die met zijn theater een “paleis voor de gewone man” wilde bouwen. Het is ook wel boeiend dat dit gebouw, net als het Amsterdamse Tuschinski, met name gebouwd is als bioscoop. Pas toen in de jaren ’60 de goedkopere bioscopen buiten het centrum langzaam maar zeker het publiek van het Ohio Theatre begonnen weg te trekken, en het gebouw op de slooplijst kwam, werd een massale reddingsactie op touw gezet en kreeg het gebouw zijn nieuwe functie als theater en concertzaal. Ik was dus helemaal blij daar in dit schitterende gebouw te zitten, met een rood plafond beschilderd met sterren boven mijn hoofd, overal om me heen ornamenten die er een beetje uitzagen als Spaanse altaarstukken, en op het podium het Columbus Symphony Orchestra in afwachting van dirigent Gunther Herbig.


Het was echter zaak om niet te veel om je heen in het publiek te kijken: het had namelijk iets pijnlijks om te zien dat de zaal halfleeg was. Ik had al mijn bedenkingen toen ik de kaartjes ging kopen en zonder problemen twee kaartjes perfect in het midden van de zaal kon krijgen. Als ze een week vantevoren de beste plaatsen genummerd aan studenten verkochten voor 1/5 van de normale prijs, wat zegt dat dan? In Amsterdam heb je drie kwartier in plaats van een week, krijg je slechte stoelen toegewezen, en ga je vervolgens vechten voor het veroveren van een goede plaats. De sport van het sprinten was daarentegen in Columbus geheel overbodig. Ook zorgwekkend was het om te zien dat de bezoekers voor het concert per bejaardenbus werden aangevoerd. Machteld noemde het na afloop ‘vergane glorie.’ Ik kan het daar volledig mee eens zijn.

Vlak voor de aanvang van het concert werd de zaal door de speakers niet alleen gemaand de mobiele telefoons uit te zetten; ook werden de verschillende sponsors van het concert voorgelezen. Typisch. Alles in Amerika is gesponsord, en op zich is dat een heel goed systeem. Bij gebrek aan overheidssteun en genoeg publiek, worden radiozenders, theatergezelschappen, orkesten en alle andere kwakkelende kunsten, gesponsord door rijke individuen en bedrijven. Die ontlenen prestige aan het geven van deze steun, en slagen erin om de kunst inderdaad in leven te houden. Dat hun namen worden afgedrukt in de programmaboekjes en de echt gulle gevers door de speakers worden opgenoemd, is vervolgens een kleine prijs om te betalen.

Op het programma stonden: Schubert 8 (“unvollendete”) en Mahler 4. De Unvollendete, zoals de naam doet vermoeden, is unvollendet, en heeft slechts twee delen. In tegenstelling tot wat ik altijd dacht, ging Schubert niet dood aan syphilis tijdens het schrijven van zijn Unvollendete: hij verloor gewoon zijn interesse in het project, schreef vervolgens nog een 9e symphonie en ging daarna pas dood aan syphilis. (Hoe kan het ook anders.) Ik had het nog nooit gehoord en vond het mooi. Met zijn twee delen was het wel over voor je er erg in had.
Mahler 4 is leuke muziek, en het CSO speelde het ook echt leuk. Ik genoot er enorm van om weer eens naar een klassiek concert te gaan. Bijna werd de vreugde bedorven door de wat oudere vrouw rechts van mij, die ergens tijdens de eerste vijf minuten in slaap was gevallen. Dat is natuurlijk verder haar zaak, maar toen ze ergens halverwege het tweede deel begon te snurken ben ik toch even heel ruw tegen de leuning van mijn stoel geploft. Dat hielp.

Het was erg leuk om de campus even te ontvluchten en naar een klassiek concert te gaan. Het zijn precies dat soort dingen die ik het meest mis tijdens mijn verblijf hier. Ik heb het diepste respect voor mensen als Gunter Herbig, de dirigent, en alle Europese professoren die hier in Columbus zijn komen werken, maar ik begrijp ze niet. In de wetenschap dat ik over twee maanden weer terug in Nederland ben kan ik me hier prima vermaken met alle Amerikaanse onzin, en vind ik het heel interesssant om te zien, maar ik ben stiekem erg blij dat ik daarna weer terug naar Amsterdam mag.




Voor een indruk van het Ohio Theatre: doe de Virtual tour, onderaan wanneer je deze link volgt. De resolutie is laag en het gebouw komt niet tot zijn recht, maar het geeft wel een beetje een indruk van het gebouw.

vrijdag, oktober 07, 2005

Bobby en de Afghanen

Enige tijd geleden deed Dirk op zijn weblog vanuit Edinburgh verslag van het warme hart dat de Schotten hun trouwe viervoeters toedragen. (Getiteld: Hondjes) Vandaag, ver weg van de Hooglanden, werd mij tijdens college duidelijk dat deze liefde zich niet beperkte tot de Schotten, maar dat deze wat smakeloze aanhankelijkheid aan de hond eigenlijk ‘all the Queen’s men’ betrof, en de Queen zelf bovendien. Mijn college Wars of Empire van vandaag had een meesterlijke side-plot: de avonturen van Bobby, het kleine witte hondje dat dapper mee ten strijde trok tijdens de Tweede Anglo-Afghaanse oorlog. Ik mag hopen dat het verhaal Dirk tot tranen zal roeren.

Een kleine inleiding in de avonturen van onze Bobby is vereist. Welnu: in november 1878 vielen de Britse roodjassen Afghanistan binnen vanuit India. De Britten waren doodsbenauwd dat de Amir van Afghanistan een verbond zou sluiten met de Russen, en dat de Russen Afghanistan vervolgens als opstapje zouden gebruiken om de Britse belangen in India aan te tasten. De nieuwe Gouverneur-Generaal van India, Lord Lytton (een nare, conservatieve ijzervreter) wachtte de onderhandelingen tussen de Britse en de Russische regering niet af, en besloot Afghanistan binnen te vallen om er een nieuw staatshoofd op de troon te zetten.
Wat hem op dat idee bracht is een raadsel: de Britten hadden al eens zoiets geprobeerd in 1840, en dat was ze uiteindelijk komen te staan op de uitroeiing van hun complete invasieleger. Een paniekerige, ongeorganiseerde terugtocht vanuit Kabul tijdens de winter van 1842, geteisterd door sneeuw en Afghaanse aanvallen, was uiteindelijk gestrand bij Gandamack, en daar hadden de laatste Britse troepen geprobeerd zich te verdedigen tegen de Afghaanse stammen, die toestroomden om de Britten de nekslag toe te dienen. Deze verdediging was niet geslaagd: slechts één man bereikte uiteindelijk Kandahar om het na te vertellen.

Niet gehinderd door dit feit besloot Lytton nu dus opnieuw Afghanistan binnen te vallen en een nieuw staatshoofd op de troon te zetten. Aanvankelijk ging het allemaal makkelijk genoeg: net als de eerste keer sneden de Britten probleemloos door Afghanistan richting Kabul en veroverden het. De Amir vluchtte en stierf.
Het probleem is echter dat Afghanen altijd valsspelen en nooit ophouden met vechten als de oorlog over is. Zo was het tijdens de Eerste Anglo-Afghaanse oorlog, zo is het nu nog (zoals menige Amerikaanse soldaat je zal kunnen vertellen), en de Tweede Anglo-Afghaanse oorlog vormde geen uitzondering. Om een lang verhaal kort te maken: in 1880 zaten de Britten tot over hun oren in de teringzooi. Overal waren opstanden uitgebroken, en Ayub Khan (de broer van de afgezette amir) schuimde met zo’n 20.000 bereden Afghaanse strijders het land af, op zoek naar Britten om af te maken. Op 27 juli 1880 had Ayub Khan mazzel, en kwam het tot een confrontatie met een veel kleinere Britse troepenmacht: zo’n 2600 Britse soldaten, onder leiding van generaal Burrows.
Onder deze troepenmacht bevond zich het 66e regiment. Eén van de officiers, Sergeant William Kelly, had al de hele campagne zijn hond bij zich. Bobby. Deze hond hobbelde vrolijk met het regiment mee, toen de Afghanen het Britse legertje klem probeerden te manoevreren en ze af te maken.
Hoewel er op die fatale 27e juli ruim 960 Britten sneuvelden, wist het grootste deel van de troepenmacht de Afghaanse val te ontvluchten. Zo niet echter het 66e regiment: dat werd afgesneden van het leger, en omsingeld door de Afghanen.
‘Tot the last man!’ schijnt hun opperbevelhebber geroepen te hebben. (Hoewel dat natuurlijk net zo’n onzin is als de ‘Dan liever de lucht in!’ van Van Spijck: niemand die binnen gehoorsafstand was had het na kunnen vertellen) Het 66e regiment nam zijn toevlucht op een klein heuveltje en verdedigde zich uit alle macht. Bobby droeg zijn steentje bij door vervaarlijk naar de Afghanen te blaffen.
Uiteindelijk stond er nog 11 man op de heuvel de Union Jack te verdedigen: toen raakte de munitie op. De Afghanen overspoelden wat er nog over was van het regiment. Niemand overleefde.

Een paar dagen later, en 75 kilometer verderop, liep er echter een klein, gewond wit hondje het kampement van de zich terugtrekkende Britse troepen in. Hij werd al gauw herkend als Bobby. Bobby kreeg de nodige medische verzorging en herstelde van de verwondingen. Hij ging mee met het zich terugtrekkende leger, naar Kandahar en door naar India.

Uiteindelijk keerde Bobby terug naar good old England. Hij werd daar zelfs op het Koninklijk Paleis ontvangen, samen met helden als majoor-generaal Roberts, en kreeg van koningin Victoria een Knight’s Cross of the British Empire aan zijn halsband bevestigd.
Helaas voor Bobby waren de hordes grote Afghaanse krijgers niet het grootste gevaar geweest voor zo’n klein hondje: een maand nadat de koningin hem had geridderd kwam onze Bobby in de straten van Gosport onder de wielen van een koets, en veranderde daarmee in Blobby, het amorfe hondje.

~
Voor mensen die dit een implausibel verhaal vinden: het is allemaal waar. Ga naar Reading, iets ten oosten van Londen, en bezoek daar het Regimental Museum: het 66e regiment heeft Bobby namelijk laten opzetten, en hij is nog altijd te zien. (Eelco: weet je dat standbeeld van die leeuw in Reading? Dat is ter ere van het 66e regiment, dat zich zo dapper heeft laten afslachten.)
Dan rest ons de vraag: is het witte hondje uit Kuifje gebaseerd op onze kleine witte Bobby, die mee mocht met zijn baasje op avontuur in verre landen? Herge kennende zou het best eens kunnen. Waar de verhalen van Blobby het amorfe hondje vandaan komen is nu in ieder geval duidelijk.





P.S. voor mensen die GoogleEarth hebben en willen weten waar ik woon: klik hier. Dat is mijn flat. De plattegrond van Columbus is mega-gedetailleerd. Ga iets naar het zuiden en zie daar 'The Oval', het enorme grasveld op het midden van de campus waar ik altijd zit te lezen als het mooi weer is. Dat gebouw aan de linkerkant daarvan is de hoofdbibliotheek. Let ook op het American Football-stadion.
Op de computers in diezelfde bibliotheek hebben ze GoogleEarth, en ik ben echt zwaar onder de inruk van dat programma. Het is bijzonder bevreemdend om op het gebouw waar je op dat moment zit in te zoomen. Het is echter ook heel handig om gewoon op te kunnen zoeken waar die Khyberpas nu eigenlijk ligt, en wat dat dan voor iets is.

dinsdag, oktober 04, 2005

Magic mountain en keggers

Amerika is vreemd, als je een westerse, tv-kijkende niet-Amerikaan bent. De cultuur, het landschap, de steden… alles is er volstrekt anders, maar toch ken je het allemaal al. Een leven lang tv-series en Hollywoodfilms heeft je eigenlijk al een verdraaid goed beeld gegeven van hoe het er hier allemaal uit ziet, en hoe het er allemaal aan toe gaat.

Het is vervolgens een heel vreemde gewaarwording dat al die dingen uit Amerikaanse high school drama’s, roadmovies en Hollywood-blockbusters niet een soort op zichzelf staande sprookjeswereld à la Lord of the Rings zijn, maar dat die hele beeldcultuur ook daadwerkelijk is gebaseerd op een echt bestaand land. Als je met de bus op New York af rijdt vanaf het vliegveld, en je ziet in het donker de enorme, verlichte wolkenkrabbers van Manhattan in de verte opdoemen, komt onvermijdelijk de gedachte in je op: ‘Wow, het bestaat echt!’ Alsof ze naar aanleiding van de films de stad hebben gebouwd, en niet andersom. Hetzelfde gevoel bekruipt je als je naar een American Football-wedstrijd gaat, of in een taxi over een brede Avenue door een stoffige, zomerse Amerikaanse stad rijdt. Eigenlijk kende je dit land al, maar je had je nog nooit zo gerealiseerd dat het allemaal echt was.

Gisteravond had ik een hele reeks van zulke gewaarwordingen. Het koor had een notenstampavond, en daarna was het tijd voor ‘a social event.’ We gingen met het voltallige koor naar iets genaamd Magic Mountain. Uiteraard ging dit per auto, omdat alles van belang in dit land langs snelwegen en avenues is uitgesmeerd. Magic Mountain bleek een een soort mini-pretpark aan de snelweg, dat een lasergame, een minigolfbaan, een arcade-hal, een virtual reality ride en wat eetgelegenheden behelsde. Ik heb mij, voor het eerst sinds ik acht jaar oud was, verdiept in de edele sport van het minigolfen. Dat was in zoverre wel leuk, dat het de gelegenheid gaf om een beetje over koetjes en kalfjes te praten (wat tijdens lasergamen wat lastiger is). Het is wel grappig om te merken dat iedereen hier enorm bezig is met wat de rest van de wereld van ze vindt. Ik kom er hier niet onderuit om eindeloos te vertellen dat Fransen eigenlijk heel aardige mensen zijn, en dat we die solo-actie in Irak dan weliswaar niet zo fraai vonden in Europa, maar dat we Amerikanen die we op straat tegenkomen daarom nog geen schop zullen geven. Verder werd het eerstejaars-koorledenteam genadeloos afgeslacht bij het lasergamen, en heb ik de zestien muntjes die ik bij de ingang ontving maar besteed aan pinball en het aanvallen van de Death Star.

Het feest was vervolgens nog niet afgelopen: nadat we terug waren gereden naar de campus, vond er bij iemand thuis een ‘kegger’ plaats, en iedereen was uitgenodigd. Een ‘kegger’ is simpelweg een bierfeest: keg betekent fust. De gastheer schaft een aantal kegs aan, in ruil waarvoor iedereen een kleine donatie inlevert. Van de campus naar dit feest lopend, waande ik me in een soort slechte college movie: de wijk waar we doorheen liepen bestond volledig uit witte, losstaande houten huizen, en in ongeveer één op de drie van die huizen vond een feest plaats.
Keggers doen hun naam eer aan, en draaien in de eerste instantie om bier, en pas in de tweede instantie om sociaal doen. Onze kegger vond plaats in de woonkamer van een stereotyp wit houten huis, waar een aantal studenten woonde. Op één van de tafels in de ruimte werd ‘beerpong’ gespeeld, waarbij het de bedoeling is een pingpongbal in een glas op de helft van de tegenstander te gooien, waarop de tegenstander dit glas moet leegdrinken. Enig medelijden had ik met één van mijn mede-koorleden, die ook net nieuw bij het is. Hij komt uit een streng religieuze gemeenschap ergens in ruraal Ohio (de Midwest, weetjewel), en is principieel tegen drinken. Hij zag het Sodom en Gomorra wat argwanend aan vanaf de kant, maar bleef niettemin tot één uur hangen.

Pas vertelde iemand me dat de menselijke hersens automatisch hun best doen om elke nieuwe situatie ‘normaal’ te vinden. De mens kan immers helemaal niet tegen stress, en onze hersens zijn zo beleefd om ons daarvoor te proberen te behoeden. Dat is hopeloos van toepassing op mijn situatie: ik vind het hier doodnormaal om naar het aan de snelweg gelegen Magic Mountain te gaan om te minigolfen, en naar American Football te gaan kijken, en het Carmen Ohio te zingen op de een of andere verschrikkelijke receptie van het footballteam, en naar een kegger te gaan in een wit houten huis. Als ik dan echter terug naar huis loop, of probeer te beschrijven hoe mijn dagelijks leven er hier uitziet, realiseer ik me plotseling dat het hier onwaarschijnlijk vreemd is. Of in ieder geval totaal anders dan in Amsterdam, en veel vooroordeelbevestigender Amerikaans dan ik überhaupt voor mogelijk had gehouden.