maandag, november 21, 2005

Het proletariaat heeft altijd gelijk!

En zo was het alweer 20 november. Over een krappe drie weken is het semester hier afgelopen. Over een maand sta ik alweer op Schiphol. Inderdaad rolt het semester langzaam tot zijn einde. Werkstukken en eindpresentaties krijgen langzaam vorm. Met koor en toneel is het niet anders: de afgelopen dagen stonden voor mij geheel in het teken van optredens. Drie avonden achter elkaar mocht ik me op het toneel aanstellen in de rol van Leon Trotsky, en vanmiddag had het koor zijn eindoptreden.

Laten we beginnen met het toneelstuk. Toen ik, nu alweer maanden geleden, over de lokale intromarkt sjokte, trof ik een stalletje van de Panopticon Players, een amateurtoneelgezelschap. Zij deden dit kwartaal eenakters, en ik liet mezelf noteren voor de mailinglijst. Op de audities van enige dagen later kreeg ik de rol van Trotsky in de schoot geworpen in het stuk Variations on the Death of Trotsky.

Het verhaal van deze eenakter beschrijft de laatste dag in het leven van Trotsky. (Klik hier voor het script in PDF) Trotsky, in ballingschap in Mexico, werd met een bijl vermoord door zijn tuinman, die daar erg veel geld voor kreeg van de KGB. Trotsky lag nog een dag in coma voordat hij uiteindelijk aan zijn hoofdwond bezweek.

Aan het begin van het stuk zit Trotsky achter zijn met boeken en kranten overladen bureau een of ander pamflet te schrijven met een bijl in zijn hoofd. Zijn vrouw, gewapend met een encyclopedie uit 2005, probeert hem ervan te overtuigen dat de tuinman gisteren een bijl in zijn hoofd heeft geslagen, maar Trotsky is zo enorm aan het voortratelen over het proletariaat dat het niet echt tot hem doordringt. Er moet een spiegel aan te pas komen om Trotsky duidelijk te maken dat hij inderdaad een bijl in zijn hoofd heeft. Aan het eind van elk van de in totaal acht variaties valt Trotsky steeds dood neer.
Na al een aantal keer levensloos ter aarde te zijn gestort krijgt Trotsky langzaam door dat hij inderdaad een bijl in zijn hoofd heeft. De tuinman wordt erbij gehaald, en mag tekst en uitleg geven over de motieven voor zijn daad (“Ik geloof dat ik er iets over had gelezen in de encyclopedie”). Het stuk is al met al totaal absurd, en erg grappig om te spelen.

Na de afgelopen weken iedere woensdagavond te hebben gerepeteerd met Liz (mevrouw Trotsky), Mike (de tuinman) en Anthony (regisseur), was het donderdag dan zover. Als eerste van totaal vier eenakters die achter elkaar werden opgevoerd, kwam ons stuk op de planken. Zoals dat soms gaat met stukken die niet al te intensief gerepeteerd zijn, ging de eerste uitvoering stukken beter dan welke repetitie ook. Zodra het publiek er is en om bepaalde grappen begint te lachen, begrijp je het stuk ineens een stuk beter. Na een wat matte tweede voorstelling, hadden we gisteren een fantastische laatste voorstelling, waarbij de zaal op een gegeven moment echt niet meer ophield met lachen. En daarna was het natuurlijk tijd voor de Cast Party. In een studentenhuis waar enkele van de leden en acteurs van Panopticon woonden (Panopticon lijkt zowel qua naam als qua sfeer enorm op Particolarte), werd tot diep in de nacht naar absurde films gekeken en vage jaren ’90-muziek gedraaid, dit alles natuurlijk stemmig voorzien van grote hoeveelheden alcohol. Op de een of andere manier zijn theatermensen altijd enorm gaaf, waar je ook bent.

Vanochtend echter toch maar uit mijn bed geklommen op zeker moment: er moest ook nog een concert gegeven worden met de Men’s Glee Club. Op het programma stonden onder andere Schubert, Schumann, een Hebreeuws stuk en zelfs een heus gospel-stuk! (Ik zal de partituur meeroven naar Nederland.) Dit alles voor een redelijk volle zaal in de OSU School of Music, voorzien van onze rode uniformen. Natuurlijk mochten de Buckeye-songs als uitsmijter niet ontbreken.
Hoewel de OSU Men’s Glee Club echt erg mooi kan zingen, zijn bepaalde aspecten ervan toch best wel verschrikkelijk fout. De uniformen, het feit dat we al zingend in slagorde de trappen afmarcheerden naar het podium, het schaamteloze fundraising tussen de liedjes door, de Buckeye-songs: men geniet hier gewoon op een totaal andere manier van koormuziek dan in Nederland. Hoewel het erg gaaf was om drie maanden bij dit koor te zingen, fanatiek repeterend, veel geld voor het koor verdienend met extreem dure optredens, een strak geregisseerd optreden gevend voor een volle zaal in het conservatorium, zie ik er ondertussen eigenlijk wel weer naar uit om met het Particolartekoor op een zondagochtend, met de alcoholdamp van de vorige avond nog in mijn hoofd, in een of ander obscuur kerkje in een Fries dorpje de muziek die we zelf mooi vinden te zingen, met minder pretentie en met meer lol. (zie ook de site van de OSU Men’s Glee Club)

Na vier dagen van totale drukte zit ik nu op mijn kamer Arvo Pärt te luisteren en mijn eigen dingen te doen. Ik weet dat ik het de komende twee weken waarschijnlijk waanzinnig druk zal hebben, maar voor het moment geniet ik even van het feit dat alle optredens achter de rug zijn en zie ik erg uit naar Thanksgiving, dat ik in Wisconsin en Chicago zal doorbrengen. Daarover later meer.


Afbeeldingen: Trotsky achter zijn bureau in Coyacoan. Dit bureau hebben we vrij precies weten te reproduceren. Foto's van het toneelstuk volgen later.
Verder: de OSU Men's Glee Club zingt een van de Buckeye-songs en brengt daarbij kijkswing in de praktijk. Met dank aan Vincent.

Het mondiale dorp

Alweer twee vrienden die in den vreemde bivakkeren en het thuisfront op de hoogte houden van hun belevenissen door middel van een blog. Ik vond het hele idee van de informatierevolutie altijd een beetje overtrokken, en als er in Nederland weer eens een bibliotheek werd omgedoopt tot kenniscentrum haalde ik meestal schamper mijn schouders op. Niettemin: als ik naar Brammert’s nieuwe blog ga, en op zijn placemark klik waarna ik per GoogleEarth inzoom op zijn huis, en zijn digitale foto’s van Wenen kan bekijken, realiseer ik me plots dat er misschien toch echt wel iets gaande is op het gebied van communicatie.
Mijn vriendengroep is momenteel uitgesmeerd over de halve planeet, tot op het punt dat ik mijn MSN-contacten heb gerangschikt op tijdzone. Ik betwijfel dat deze reislust nu zo’n revolutionaire ontwikkeling is: migratie is van alle tijden, 19e-eeuwse rijkeluiskindjes maakten hun Grand Tour of gingen naar Indië, in de jaren ’60 kreeg iedere antropologiestudent een beurs om naar één of ander ver land te gaan. Maar er is nu toch wel een fundamenteel verschil. Email en MSN maken het, om te beginnen, bijzonder makkelijk om met iedereen in contact te blijven.
Vervolgens is er nu het weblog. Hier besteden veel mensen (althans veel van de mensen die ik ken) veel tijd aan: ze schrijven complete artikelen over hun belevenissen en de omgeving waarin ze verkeren. Deze artikelen kunnen vervolgens gekoppeld worden aan allerlei andere informatiebronnen: foto’s, om te beginnen, zodat een blog bijna een soort persoonlijke krant is. Veel mensen hebben nu digitale camera’s (ik blijf schandelijk achter op dit gebied.) Maar ook de mogelijkheid om je eigen verhaal in context te zetten door verwijzingen naar een van de vele kranten die in hun geheel online verschijnen, of naar andere minder grote nieuwsbronnen. De mogelijkheid om GoogleEarth-placemarks op je blog te zetten, zodat mensen kunnen inzoomen tot op de straat waar je woont, en in je buurt kunnen rondkijken. Een soort ecclectisch, persoonlijk informatieparadijs, kortom.
Pas liet James me iets lezen over "blogmoeheid." Veel mensen zijn nu alweer ziek van het fenomeen blog, omdat de meeste blogs niets anders doen dan bestaande informatie herkauwen. Zo verwijzen veel blogs allemaal naar dezelfde bronnen en naar elkaar, en zijn dus meer een laag ruis dan een zinnige informatiebron. Jonathan Even-Zohar citeerde een vriend van hem, die blogs als ‘anti-informatie’ beschrijft. Misschien geldt dat voor veel blogs, maar zeker niet voor alle, en reisblogs zijn zeker geen ruis. Integendeel: momenteel zijn ze, althans voor mij, een belangrijke en bijzonder leuke manier om op de hoogte te blijven van het wel en wee van een heleboel mensen. Laat ik jullie daarom even voorstellen aan de nieuwe sites in mijn ‘weblogs en dergelijke’-balkje:

Maaike in Edinburgh – Maaike studeert, net als Dirk, een periode in Edinburgh, en heeft besloten een blog bij te gaan houden. Echter: na het ontwerpen van een schitterende blog, stelt ze het schrijven van daadwerkelijke posts steeds uit. Nu ik en Brammert haar als linkpartners hebben opgeworpen, komt daar hopelijk verandering in. Bezoek haar site en laat een comment achter!

Brammert in Wenen – Brammert doet onderzoek in Wenen, en woont aldaar. Zijn avonturen in deze mooie stad kunnen alhier gevolgd worden. Veel, erg mooie foto’s, tot nu toe. En een GoogleEarth placemark!

Think and Explain – Jonathan Even-Zohar zit gewoon thuis in Leiden, maar denkt erg veel na over kwesties als informatienetwerken, het Google-tijdperk, wereldgeschiedenis in het algemeen, en de verbanden tussen al deze dingen. Zijn filosofische overpeinzingen over deze kwesties zijn altijd interessant leesvoer. Een voorbeeld van hoe een niet-reisblog niet per se ruis hoeft te zijn, als je zelf iets nieuws aan het geheel toevoegt.

De verwijzingen die er al langer staan zijn, vanzelfsprekend, ook allemaal erg de moeite waard.

donderdag, november 10, 2005

Eten in Columbus

Ik vrees dat ik tot op zekere hoogte een culinair determinist ben. Zo heb ik bijvoorbeeld een aangeboren argwaan voor mensen die niet van blauwe kaas houden. In mensen die een vies gezicht trekken bij het zien van olijven vermoed ik onmiddellijk gewelddadige persoonlijkheidsstoornissen. Mensen wier favoriete gerecht elleboogjesmacaroni met ham en kaas is, zijn in mijn ogen een gevaar voor samenleving.
Dit alles in ogenschouw nemend, worden alle misstanden in Amerika ineens een stuk begrijpelijker wanneer je over High Street loopt en naar het winkelaanbod kijkt. Deze straat, die de levensader van de campus vormt, is een doffe aaneenschakeling van McDonald’s, Chipotles (eigendom van McDonald’s, verkoopt burrito’s), Wendy’s (soort McDonald’s), willekeurige pizzeria’s (meestal onderdeel van een keten) en Subways of variaties daarop (doet in sandwiches), iets genaamd Steak&Shake en een enkel Chinees restaurant. Porties zijn relatief groot, en alles bevat vooral heel veel vlees. De weinige supermarkten die deze fastfoodrestaurants afwisselen zijn weliswaar allemaal vierentwintig uur per dag open, maar verkopen geen van alle groenten of fruit. Oh, leuk feit: Vincent heeft een nieuw record gezet. Een brood dat hij ruim een maand geleden uit het oog was verloren was weliswaar enigszins uitgedroogd, maar niet beschimmeld.
Blijkbaar is er voor deze producten ook simpelweg geen markt: de studentenflat waar ik hier woon, met zijn ettelijke honderden kamers, telt twee keukens, jawel, ieder voorzien van één gasstel. In deze keukens is meestal vrij druk, maar de enige reden daarvoor is dat dit gebouw voor een niet onaanzienlijk deel door internationale studenten wordt bevolkt. Pakistanen, Chinezen, Italianen, Zwitsers en Duitsers bereiden er met grote regelmaat de meest ingewikkelde gerechten, maar Amerikanen zal men praktisch nooit in deze keukens aantreffen. Slechts één verschrikkelijke conclusie rest ons: de Amerikaanse studentenpopulatie laat inderdaad iedere avond pizza komen of haalt iets af bij Wendy’s.
Een verhaal op zich is Amerikaanse kaas. Ongeveer eens per week neem ik de bus naar Giant Eagle, om daar boodschappen te doen. Dit is een enorme, tamelijk luxe supermarkt – een soort Albert Heijn maar dan veel groter. Ook de kaasafdeling ziet er op het eerste gezicht zeer goed voorzien uit. Schijn bedriegt echter. Na enkele verwoede pogingen heb ik ontdekt dat Amerikaanse kaas een grote samenzwering is. Er liggen tientallen soorten kaas in de etalage, genaamd Swiss, American, Provolone, Cheddar etcetera, maar… er is geen verschil! Het is allemaal rubberige jonge kaas met een weeïige smaak – zoiets als de smeltkaas die je in Nederland in voorvepakte plakjes kunt kopen. Ook wil ik de toekomstige bezoeker van dit land waarschuwen tegen het wanproduct dat ze hier mozzarella noemen: voor iets meer geld krijg je dan in plaats van rubberige jonge kaas, extreem jonge en extreem rubberige kaas in de vorm van een bol. Normale mozzarella is weliswaar te koop, maar wordt beschouwd als een delicatesse, en is voor ongeveer 10 dollar per minipakje te verkrijgen. Deze constructie is me een raadsel, omdat normale mozzarella zo extreem makkelijk en goedkoop te produceren is. Het zou toch niet zo zijn dat er meer markt is voor de rubberen variant?
Wat ook opvalt is het totale gesprek aan gespecialiseerde winkeltjes die in eten doen. In de eerste instantie valt het niet zo op, maar op een gegeven moment realiseer je je dat in Columbus de bakkers, slagers, viswinkels en dergelijke simpelweg in het straatbeeld ontbreken. Ze bestaan niet! Voor boodschappen is men aangewezen op de UDF, de CVS en de Giant Eagle. Of men doet gewoon géén boodschappen en gaat naar Brenen’s om te ontbijten, naar Chipotle om te lunchen en naar Wendy’s om te dineren.
Dit alles in overweging nemend wordt de culinair determinist ineens een hoop duidelijk over dit land. Zaken als Guantanamo Bay, het verbod op het homohuwelijk, Apocalyptisch denken, de National Rifle Association… ze vallen allemaal te verklaren door het feit dat de eetgewoonten in Heartland America precies zo verschrikkelijk zijn als wij ons in Nederland altijd voorstellen.

Of nee… wellicht is dat toch niet helemaal eerlijk. Als je High Street langs de campus afloopt krijg je inderdaad een vrij sombere indruk van de Amerikaanse eetcultuur. De kunst is echter om te blijven lopen. Na ruim 10 minuten zuidwaarts te hebben gesjokt kom je in het Short North. Deze buurt, bekend als de homobuurt van Columbus (hetgeen in de praktijk enorm meevalt) wordt getekend door kleine, gezellige restaurantjes en cafés, allemaal gevestigd in mooie oude laat-19e eeuwse huizen. Geen McDonald’s te bekennen.
Blijf lopen. Zo’n tien minuten verderop verlaat je de Short North, en zie je aan je rechterhand een enorme markthal met daarop een enorm bord ‘North Market.’ Sla af en loop erheen. Wat je binnen aantreft is een markt die al je verwachtingen overtreft en die alles verkoopt wat je voor het bereiden van een enorme maaltijd maar zou willen hebben. Groenten in alle soorten en maten, een bakker met de meest fantastische soorten brood (5 dollar per stuk, maar goed), een kaasstalletje waar ze alle denkbare soorten geïmporteerde kaas hebben (inclusief rauwmelkse kazen die in Europa niet meer verkocht mogen worden), een visstal, een enorm aanbod van alle soorten kruiden, thee en koffie, een winkel die zich specialiseert in geïmporteerde wijnen en bieren met een selectie Belgisch bier die je in een Nederlandse slijterij zelden zult aantreffen… Het paradijs op aarde waar het op eten aankomt, kortom. Dat deze North Market alleen kan bestaan door zware sponsoring door de stad Columbus doet niets af aan het feit dat ze wat mij betreft ook wel zo’n markt in Amsterdam zouden mogen openen.

In mijn eerste weken hier kwam ik Melanie en Calvert tegen, en met hen vorm ik momenteel een soort kookclub, waarop ik al mijn North Market aankopen kan botvieren. Zo’n twee keer week kookt één van ons, en kunnen de andere twee aanschuiven. Melanie komt uit Wisconsin, is extreem links, studeert plattelandssociologie en is absurd voedselbewust. De hele kookclub was haar idee. Calvert komt uit Texas, en is erg verwarrend voor al mijn vooroordelen: hij is een extreem toffe gast en angstwekkend algemeen ontwikkeld, maar is voor wapenbezit en tegen de regering, en weet deze standpunten ook uitstekend te verdedigen. Beiden kunnen fantastisch koken. (Hoewel Calvert zeker een voorkeur voor maaltijden met veel vlees aan de dag legt) We zijn een raar gezelschap, kortom. Samen vormen we, ondanks onze nogal verschillende wereldbeelden en achtergronden, het verenigd Europees-Amerikaans front tegen de fastfoodcultuur. En dat blijkt, als je iets verder kijkt dan de ontmoedigende aanblik van de straten rond de campus, uitstekend mogelijk.