De Boxer-collectie
of: waarom koloniale geschiedenis leuk is
Tijdens mijn verblijf aan OSU kreeg ik van een aantal mensen (waaronder Sint Nicolaas zelf) te horen dat ik toch eigenlijk helemaal niet zo hard aan het studeren was. Ik vermoed dat ik die indruk vooral wekte door de stukjes die ik op dit blog zette. Slechts zeer af en toe gingen die over mijn studie.
Ik heb persoonlijk niet veel op met blogstukjes die in chronologische volgorde alles wat iemand meemaakt opsommen. In die stijl geschreven leesvoer vertoont veel overeenkomsten met het telefoonboek, met dat verschil dat er in het telefoonboek nog weleens dingen staan die je wél wilt weten. Daarom heb ik de bezoekers van dit blog willen besparen dat ik de hele dag boeken over de gewone man in het Spaanse keizerrijk aan het lezen was, dat het grootste deel van mijn tijd opging aan een werkstuk over de rationaliteit van de Javaanse staat, en dat ik naar een interessante lezing was geweest over Zuidoost-Aziatische centralisatiestrategieën. Dat soort proza leek mij de uitgelezen strategie om het aantal bezoekers binnen de kortste keren tot nul terug te brengen. Het leek me leuker om me te concentreren op de eigenaardigheden van in Amerika zijn.
De indruk dat ik vooral Amerikaanse eigenaardigheden aan het beleven was en niet studeerde, is echter onjuist. Ik heb zowaar hard gestudeerd aan OSU, en met leuke resultaten. Laat ik daarom tenminste één stukje wijden aan datgene waarvoor ik eigenlijk naar de VS ging: het bestuderen van koloniale zaken. Een specifieke episode daaruit was wel erg leuk: mijn reis naar de Boxer-collectie, het privé-archief van de nu overleden historicus C.R. Boxer.
Charles Boxer was misschien wel de kleurrijkste historicus van de afgelopen eeuw. Zijn biografie leest zo’n beetje als het script van een Indiana Jones-film. In 1904 geboren in een Britse adellijke familie waaruit met name veel grote legerofficieren waren voortgekomen, werd de jonge Charles Boxer door zijn ouders op de militaire academie geplaatst. Hij ontwikkelde daar al gauw een interesse in de koloniale geschiedenis. Tijdens zijn opleiding tot officier, en zijn latere militaire loopbaan leerde hij zichzelf in de avonduren Portugees, Nederlands en Japans. Zonder ooit een universitaire opleiding te hebben genoten begon hij in de loop van de jaren ’30 artikel na artikel te publiceren over het koloniale verleden van Engeland, de Nederlanden en Portugal.
Zijn kennis van het Japans bracht hem in 1936 binnen de gelederen van de Engelse inlichtingendienst: in de toen nog Engelse kolonie Hongkong vertaalde hij onderschepte Japanse militaire communicatie. Toen Hongkong in 1941 door het Japanse leger werd aangevallen, raakte Boxer zwaar gewond bij de verdediging ervan. Hij werd krijgsgevangen gemaakt, werd als medewerker van de Geheime Dienst wekenlang door de Japanners verhoord, en werd vervolgens te werk gesteld.
Niettemin overleefde hij de oorlog, en werd, na eervol ontslag uit het leger, professor in de koloniale geschiedenis: eerst aan King’s College in London, later aan Yale, en uiteindelijk aan de University of Indiana. De rest van zijn leven (hij overleed in 2000) gaf hij elke cent die hij had (inclusief het familiekapitaal) uit aan reizen, en het verzamelen van de grootste particuliere collectie koloniale parafenalia ter wereld. Dozen en dozen vol munten, voorwerpen, foto’s, zeldzame boeken en manuscripten verzamelde hij om zich heen.
Al vroeg in mijn besprekingen met Parker kwam het gesprek op deze C.R. Boxer. Een aantal van de boeken die hij geschreven heeft is nog steeds standaardliteratuur, en ik was sowieso al enigszins fan van hem. Ik wist van het bestaan van zijn enorme collectie aan zeldzame spullen (in zijn boeken staan allemaal voetnoten in de sfeer van: ‘Dit heb ik uit een uniek manuscript in mijn privé-collectie; wie in de buurt is mag het weleens komen bekijken’), maar had geen idee dat die collectie na zijn dood was opengesteld voor onderzoekers. Ook had ik geen flauw benul waar die collectie was. Groot was dus mijn verbazing toen Parker onmiddellijk riep: ‘Oh ja, Boxer! Zijn privé-archief is hier 300 kilometer verderop, in Bloomington, Indiana. Neem dus wanneer het je uitkomt een paar dagen vrij en ga daar eens kijken. Ik schrijf wel een aanbevelingsbriefje, zodat je naar binnen kan.’
Nadat alle optredens en Thanksgiving achter de rug waren, had ik die paar dagen. Melanie zette me op de terugweg vanuit Wisconsin af in Bloomington, Indiana. Aldaar boekte ik een goedkoop hotel en ging naar het archief.
Een privé-collectie is weer iets heel anders dan een nationaal archief. In het Nederlandse nationale archief is alles keurig in computers ingevoerd, gecatalogiseerd en bijgehouden. Boxer’s archief was een zooitje. Iemand had ooit een klein inventarisje geschreven, maar verder was er niets in kaart gebracht. Als je iets specifieks zoekt is dat verschrikkelijk, maar als je gewoon komt neuzen is dat fantastisch. Je krijgt gewoon een doos met papieren op je tafel, en moet het verder zelf maar uitzoeken. Dat deed ik dus.
In die dozen trof ik vervolgens allerlei fantastische dingen aan. Boxer had gewoon de spullen die hij gaaf vond aangeschaft, vaak met de aankoopacte of een foto erbij. Het wierp een blik op een heel andere manier van met geschiedenis bezig zijn: bij de aanstellingsbrief van Gouverneur-Generaal Antonie van Diemen trof ik de aankoopactes en de correspondentie tussen Boxer en een antiquariaat in Amsterdam, Nico Israel en Emmerink b.v. Boxer had 1500 dollar voor het document betaald, maar blijkbaar hadden ze hem eerst het verkeerde document gestuurd. Een aantal brieven heen en weer loste dit probleem blijkbaar op.
Boxer bezat allerlei Nederlandse stukken: een boek met kustprofielen, bedoeld voor schepen om vreemde kusten te kunnen herkennen. Een brief van Willem van Oranje aan de Nederlandse vloot voor de Schelde. Een brief van Piet Heyn aan de Staten-Generaal. Een deel van een scheepsjournaal. Een aantal willekeurige documenten, die hij vooral had aangeschaft omdat er handtekeningen van beroemde mensen op stonden. Mijn grote frustratie was echter dat alle echt gave dingen in het Portugees waren. Bij een Portugees boek in normale letters kan ik nog net zien waar het over gaat; zodra het echter handgeschreven 16e-eeuwse kriebelletters worden, ben ik verloren. Tijd om Portugees te gaan leren.
Tegenover me in de studiezaal zat de hele eerste ochtend een man in 20e-eeuwse getypte documenten te turen. Zoals dat gaat in een studiezaal negeerden we elkaar totaal, maar zo tegen 1 uur hief hij zijn hoofd uit zijn map, en zei alleen maar: ‘Lunch?’ ‘Eeehhhmm… sure!’ was mijn antwoord. De man, Robert geheten, bleek een boek te schrijven over president Roosevelt en de New Deal, een plan tot sociale hervorming tijdens de Crisisjaren. Uiteindelijk nodigde hij me uit om die avond met hem, zijn vrouw en diens zus uit eten te gaan in het centrum van Bloomington. Die avond at ik Afghaans met een aantal mensen die ik die ochtend nog niet had gekend. We praatten over liften in Europa, religieuze denkbeelden in de VS en de geschiedenis van alles. Aanzienlijk leuker dan in een goedkope hotelkamer goedkoop fastfood naar binnen schuiven.
De VS blijven een raar land in sommige opzichten. Bloomington heeft zo’n 100.000 inwoners en huisvest een grote universiteit, maar er is geen openbaar vervoer heen of vandaan. Ik was al verbaasd toen ik op Internet had uitgevonden dat er geen Greyhound naar Bloomington ging, maar toen ik ontdekte dat ik gewoon geen transportopties de stad uit had (behalve een bus die heel af en toe naar de luchthaven van Indianapolis ging) was ik verbijsterd. Robert wist echter een lift voor me te regelen. De volgende dag, laat in de middag, gooide ik mijn tassen in de auto van zijn zwager en vertrok weer richting Columbus, na twee fascinerende dagen tussen oude stukken papier te hebben doorgebracht.
Dat laat ons nog de vraag in de subtitel: waarom is VOC-geschiedenis eigenlijk interessant? Wat bezielt iemand in vredesnaam om dagen, soms weken, tussen oude paperassen door te brengen om iets uit te zoeken over de VOC? Wat maakt de VOC in vredesnaam uit?
De VOC is inderdaad nauwelijks een populair onderwerp op feesten en partijen. De geschiedenis van de Nederlandse koloniën, en dan met name die in de 17e eeuw, heeft bij uitstek wat Mirjam hier zeer mooi een ‘koekblikjeskwaliteit’ noemde. Iedereen ruikt bij het horen van het woord ‘VOC’ onmiddellijk spruitjes, en hoort in zijn achterhoofd een schoolleraar uit de jaren ’40 oreren over ‘het grootsche verleeden van ons trotsche Geuzenrasch! – ja, jongensch, dáár werd wat grootsch verricht!!!’ of iets dergelijks. Het hele onderwerp heeft voor de meeste mensen een soort air van vaderlandslievende kneuterigheid over zich.
Is dat terecht? Niet helemaal. Dat wil zeggen, voor mensen die nationalistische onzingeschiedenis wilden schrijven, waren de Zilvervloot, Jan Pieterszoon Coen en de Eerste Schipvaart zonder meer fantastische bronnen van heroische verhalen. Koloniale geschiedenis is echter veel meer dan dat, en tegenwoordig stellen we andere vragen aan de geschiedenis. We vragen ons af hoe de wereld is geworden zoals ze is: waarom zijn de westerse landen rijk en de rest niet? Een belangrijk deel van het antwoord zit hem in de interactie tussen de Europese landen en de rest van de wereld. Als we willen weten waarom Amerika is geworden wat het is, of waarom China doet wat het doet, zit een groot deel van het antwoord in de koloniale geschiedenis.
Het is ook de geschiedenis van ons wereldbeeld. De ontdekkingsreizen en de koloniale rijken veranderden het beeld dat de gemiddelde Europeaan van de wereld had totaal. De enorme nieuwe rijken die werden ontdekt, vaak groter en machtiger dan de Europese landen zelf, deden het Europese zelfbeeld, met de Christelijke beschaving als lichtend centrum van de wereld, minder vanzelfsprekend lijken. Op wetenschappelijk gebied werden de westerlingen ineens geconfronteerd met een enorme hoeveelheid nieuwe dier- en plantensoorten. Wetenschappers als Linnaeus en Rumphius waren gefascineerd door al deze nieuwe soorten, en probeerden ze in kaart te brengen. Het classificatiestelsel dat Linnaeus uitvond (en dat nog steeds wordt gebruikt) werd noodzakelijk gemaakt door deze overdaad aan planten en dieren waarmee men zich geconfronteerd zag.
Onze hele kennis van geologie, biologie, antropologie, is onlosmakelijk verbonden met de geschiedenis van het kolonialisme. Organisaties als Artis hielden zich oorspronkelijk bezig met planten, dieren, geologie en antropologie. Artis verzamelde naast zeldzame dieren ook antropologisch interessante voorwerpen en mineralen. Een overweldigende hoeveelheid van hun spullen kregen ze via koloniale kanalen. We zouden hier ook Darwin of Eugene Dubois kunnen noemen. Darwin is bekend; Eugene Dubois was de Nederlander die de belangrijkste ‘missing link’ tussen aap en mens vond, de ‘Java Man’ of pithecantropus erectus. Hij deed deze vinding op Java, nadat hij daar als legerdokter terecht was gekomen, en groef de Java Man uiteindelijk op met hulp van Javaanse ‘koelies.’
Zo is het kolonialisme een niet weg te laten factor geweest in elk aspect van het menselijk bestaan. Als je wilt weten waarom we pepernoten eten met Sinterklaas, waarom Afghanistan de Taliban voortbracht, hoe de b.v. is ontstaan, hoe we op het idee van evolutie zijn gekomen, hoe de klok is ontstsaan, waarom Japan meevocht in de Tweede Wereldoorlog en waarom China en India misschien wel de volgende wereldmachten worden en Mali sowieso niet, dan brengt de zoektocht naar het antwoord je onvermijdelijk langs de geschiedenis van het Europese kolonialisme. Fracties van die antwoorden bevinden zich in het papierwerk dat is voortgekomen uit de VOC. Met spruitjes en koekblikjes heeft dat eigenlijk erg weinig te maken.
Tijdens mijn verblijf aan OSU kreeg ik van een aantal mensen (waaronder Sint Nicolaas zelf) te horen dat ik toch eigenlijk helemaal niet zo hard aan het studeren was. Ik vermoed dat ik die indruk vooral wekte door de stukjes die ik op dit blog zette. Slechts zeer af en toe gingen die over mijn studie.
Ik heb persoonlijk niet veel op met blogstukjes die in chronologische volgorde alles wat iemand meemaakt opsommen. In die stijl geschreven leesvoer vertoont veel overeenkomsten met het telefoonboek, met dat verschil dat er in het telefoonboek nog weleens dingen staan die je wél wilt weten. Daarom heb ik de bezoekers van dit blog willen besparen dat ik de hele dag boeken over de gewone man in het Spaanse keizerrijk aan het lezen was, dat het grootste deel van mijn tijd opging aan een werkstuk over de rationaliteit van de Javaanse staat, en dat ik naar een interessante lezing was geweest over Zuidoost-Aziatische centralisatiestrategieën. Dat soort proza leek mij de uitgelezen strategie om het aantal bezoekers binnen de kortste keren tot nul terug te brengen. Het leek me leuker om me te concentreren op de eigenaardigheden van in Amerika zijn.
De indruk dat ik vooral Amerikaanse eigenaardigheden aan het beleven was en niet studeerde, is echter onjuist. Ik heb zowaar hard gestudeerd aan OSU, en met leuke resultaten. Laat ik daarom tenminste één stukje wijden aan datgene waarvoor ik eigenlijk naar de VS ging: het bestuderen van koloniale zaken. Een specifieke episode daaruit was wel erg leuk: mijn reis naar de Boxer-collectie, het privé-archief van de nu overleden historicus C.R. Boxer.
Charles Boxer was misschien wel de kleurrijkste historicus van de afgelopen eeuw. Zijn biografie leest zo’n beetje als het script van een Indiana Jones-film. In 1904 geboren in een Britse adellijke familie waaruit met name veel grote legerofficieren waren voortgekomen, werd de jonge Charles Boxer door zijn ouders op de militaire academie geplaatst. Hij ontwikkelde daar al gauw een interesse in de koloniale geschiedenis. Tijdens zijn opleiding tot officier, en zijn latere militaire loopbaan leerde hij zichzelf in de avonduren Portugees, Nederlands en Japans. Zonder ooit een universitaire opleiding te hebben genoten begon hij in de loop van de jaren ’30 artikel na artikel te publiceren over het koloniale verleden van Engeland, de Nederlanden en Portugal.
Zijn kennis van het Japans bracht hem in 1936 binnen de gelederen van de Engelse inlichtingendienst: in de toen nog Engelse kolonie Hongkong vertaalde hij onderschepte Japanse militaire communicatie. Toen Hongkong in 1941 door het Japanse leger werd aangevallen, raakte Boxer zwaar gewond bij de verdediging ervan. Hij werd krijgsgevangen gemaakt, werd als medewerker van de Geheime Dienst wekenlang door de Japanners verhoord, en werd vervolgens te werk gesteld.
Niettemin overleefde hij de oorlog, en werd, na eervol ontslag uit het leger, professor in de koloniale geschiedenis: eerst aan King’s College in London, later aan Yale, en uiteindelijk aan de University of Indiana. De rest van zijn leven (hij overleed in 2000) gaf hij elke cent die hij had (inclusief het familiekapitaal) uit aan reizen, en het verzamelen van de grootste particuliere collectie koloniale parafenalia ter wereld. Dozen en dozen vol munten, voorwerpen, foto’s, zeldzame boeken en manuscripten verzamelde hij om zich heen.
Al vroeg in mijn besprekingen met Parker kwam het gesprek op deze C.R. Boxer. Een aantal van de boeken die hij geschreven heeft is nog steeds standaardliteratuur, en ik was sowieso al enigszins fan van hem. Ik wist van het bestaan van zijn enorme collectie aan zeldzame spullen (in zijn boeken staan allemaal voetnoten in de sfeer van: ‘Dit heb ik uit een uniek manuscript in mijn privé-collectie; wie in de buurt is mag het weleens komen bekijken’), maar had geen idee dat die collectie na zijn dood was opengesteld voor onderzoekers. Ook had ik geen flauw benul waar die collectie was. Groot was dus mijn verbazing toen Parker onmiddellijk riep: ‘Oh ja, Boxer! Zijn privé-archief is hier 300 kilometer verderop, in Bloomington, Indiana. Neem dus wanneer het je uitkomt een paar dagen vrij en ga daar eens kijken. Ik schrijf wel een aanbevelingsbriefje, zodat je naar binnen kan.’
Nadat alle optredens en Thanksgiving achter de rug waren, had ik die paar dagen. Melanie zette me op de terugweg vanuit Wisconsin af in Bloomington, Indiana. Aldaar boekte ik een goedkoop hotel en ging naar het archief.
Een privé-collectie is weer iets heel anders dan een nationaal archief. In het Nederlandse nationale archief is alles keurig in computers ingevoerd, gecatalogiseerd en bijgehouden. Boxer’s archief was een zooitje. Iemand had ooit een klein inventarisje geschreven, maar verder was er niets in kaart gebracht. Als je iets specifieks zoekt is dat verschrikkelijk, maar als je gewoon komt neuzen is dat fantastisch. Je krijgt gewoon een doos met papieren op je tafel, en moet het verder zelf maar uitzoeken. Dat deed ik dus.
In die dozen trof ik vervolgens allerlei fantastische dingen aan. Boxer had gewoon de spullen die hij gaaf vond aangeschaft, vaak met de aankoopacte of een foto erbij. Het wierp een blik op een heel andere manier van met geschiedenis bezig zijn: bij de aanstellingsbrief van Gouverneur-Generaal Antonie van Diemen trof ik de aankoopactes en de correspondentie tussen Boxer en een antiquariaat in Amsterdam, Nico Israel en Emmerink b.v. Boxer had 1500 dollar voor het document betaald, maar blijkbaar hadden ze hem eerst het verkeerde document gestuurd. Een aantal brieven heen en weer loste dit probleem blijkbaar op.
Boxer bezat allerlei Nederlandse stukken: een boek met kustprofielen, bedoeld voor schepen om vreemde kusten te kunnen herkennen. Een brief van Willem van Oranje aan de Nederlandse vloot voor de Schelde. Een brief van Piet Heyn aan de Staten-Generaal. Een deel van een scheepsjournaal. Een aantal willekeurige documenten, die hij vooral had aangeschaft omdat er handtekeningen van beroemde mensen op stonden. Mijn grote frustratie was echter dat alle echt gave dingen in het Portugees waren. Bij een Portugees boek in normale letters kan ik nog net zien waar het over gaat; zodra het echter handgeschreven 16e-eeuwse kriebelletters worden, ben ik verloren. Tijd om Portugees te gaan leren.
Tegenover me in de studiezaal zat de hele eerste ochtend een man in 20e-eeuwse getypte documenten te turen. Zoals dat gaat in een studiezaal negeerden we elkaar totaal, maar zo tegen 1 uur hief hij zijn hoofd uit zijn map, en zei alleen maar: ‘Lunch?’ ‘Eeehhhmm… sure!’ was mijn antwoord. De man, Robert geheten, bleek een boek te schrijven over president Roosevelt en de New Deal, een plan tot sociale hervorming tijdens de Crisisjaren. Uiteindelijk nodigde hij me uit om die avond met hem, zijn vrouw en diens zus uit eten te gaan in het centrum van Bloomington. Die avond at ik Afghaans met een aantal mensen die ik die ochtend nog niet had gekend. We praatten over liften in Europa, religieuze denkbeelden in de VS en de geschiedenis van alles. Aanzienlijk leuker dan in een goedkope hotelkamer goedkoop fastfood naar binnen schuiven.
De VS blijven een raar land in sommige opzichten. Bloomington heeft zo’n 100.000 inwoners en huisvest een grote universiteit, maar er is geen openbaar vervoer heen of vandaan. Ik was al verbaasd toen ik op Internet had uitgevonden dat er geen Greyhound naar Bloomington ging, maar toen ik ontdekte dat ik gewoon geen transportopties de stad uit had (behalve een bus die heel af en toe naar de luchthaven van Indianapolis ging) was ik verbijsterd. Robert wist echter een lift voor me te regelen. De volgende dag, laat in de middag, gooide ik mijn tassen in de auto van zijn zwager en vertrok weer richting Columbus, na twee fascinerende dagen tussen oude stukken papier te hebben doorgebracht.
Dat laat ons nog de vraag in de subtitel: waarom is VOC-geschiedenis eigenlijk interessant? Wat bezielt iemand in vredesnaam om dagen, soms weken, tussen oude paperassen door te brengen om iets uit te zoeken over de VOC? Wat maakt de VOC in vredesnaam uit?
De VOC is inderdaad nauwelijks een populair onderwerp op feesten en partijen. De geschiedenis van de Nederlandse koloniën, en dan met name die in de 17e eeuw, heeft bij uitstek wat Mirjam hier zeer mooi een ‘koekblikjeskwaliteit’ noemde. Iedereen ruikt bij het horen van het woord ‘VOC’ onmiddellijk spruitjes, en hoort in zijn achterhoofd een schoolleraar uit de jaren ’40 oreren over ‘het grootsche verleeden van ons trotsche Geuzenrasch! – ja, jongensch, dáár werd wat grootsch verricht!!!’ of iets dergelijks. Het hele onderwerp heeft voor de meeste mensen een soort air van vaderlandslievende kneuterigheid over zich.
Is dat terecht? Niet helemaal. Dat wil zeggen, voor mensen die nationalistische onzingeschiedenis wilden schrijven, waren de Zilvervloot, Jan Pieterszoon Coen en de Eerste Schipvaart zonder meer fantastische bronnen van heroische verhalen. Koloniale geschiedenis is echter veel meer dan dat, en tegenwoordig stellen we andere vragen aan de geschiedenis. We vragen ons af hoe de wereld is geworden zoals ze is: waarom zijn de westerse landen rijk en de rest niet? Een belangrijk deel van het antwoord zit hem in de interactie tussen de Europese landen en de rest van de wereld. Als we willen weten waarom Amerika is geworden wat het is, of waarom China doet wat het doet, zit een groot deel van het antwoord in de koloniale geschiedenis.
Het is ook de geschiedenis van ons wereldbeeld. De ontdekkingsreizen en de koloniale rijken veranderden het beeld dat de gemiddelde Europeaan van de wereld had totaal. De enorme nieuwe rijken die werden ontdekt, vaak groter en machtiger dan de Europese landen zelf, deden het Europese zelfbeeld, met de Christelijke beschaving als lichtend centrum van de wereld, minder vanzelfsprekend lijken. Op wetenschappelijk gebied werden de westerlingen ineens geconfronteerd met een enorme hoeveelheid nieuwe dier- en plantensoorten. Wetenschappers als Linnaeus en Rumphius waren gefascineerd door al deze nieuwe soorten, en probeerden ze in kaart te brengen. Het classificatiestelsel dat Linnaeus uitvond (en dat nog steeds wordt gebruikt) werd noodzakelijk gemaakt door deze overdaad aan planten en dieren waarmee men zich geconfronteerd zag.
Onze hele kennis van geologie, biologie, antropologie, is onlosmakelijk verbonden met de geschiedenis van het kolonialisme. Organisaties als Artis hielden zich oorspronkelijk bezig met planten, dieren, geologie en antropologie. Artis verzamelde naast zeldzame dieren ook antropologisch interessante voorwerpen en mineralen. Een overweldigende hoeveelheid van hun spullen kregen ze via koloniale kanalen. We zouden hier ook Darwin of Eugene Dubois kunnen noemen. Darwin is bekend; Eugene Dubois was de Nederlander die de belangrijkste ‘missing link’ tussen aap en mens vond, de ‘Java Man’ of pithecantropus erectus. Hij deed deze vinding op Java, nadat hij daar als legerdokter terecht was gekomen, en groef de Java Man uiteindelijk op met hulp van Javaanse ‘koelies.’
Zo is het kolonialisme een niet weg te laten factor geweest in elk aspect van het menselijk bestaan. Als je wilt weten waarom we pepernoten eten met Sinterklaas, waarom Afghanistan de Taliban voortbracht, hoe de b.v. is ontstaan, hoe we op het idee van evolutie zijn gekomen, hoe de klok is ontstsaan, waarom Japan meevocht in de Tweede Wereldoorlog en waarom China en India misschien wel de volgende wereldmachten worden en Mali sowieso niet, dan brengt de zoektocht naar het antwoord je onvermijdelijk langs de geschiedenis van het Europese kolonialisme. Fracties van die antwoorden bevinden zich in het papierwerk dat is voortgekomen uit de VOC. Met spruitjes en koekblikjes heeft dat eigenlijk erg weinig te maken.

4 Comments:
een originele brief van Willem van Oranje, vet cool! Moest je handschoentjes om?
Vergeet overigens ook niet de invloed van het kolonialisme op de hollandse keuken, zoals daar is de smakelijke culinaire traktatie in authentieke Chinees-Indonesische traditie.
(Conimex rules! sinds 1932)
Tjah, inderdaad! Hoe kon ik die over het hoofd zien! Om met Sherlock Holmes te spreken: look up my small monograph on the subject in the previous issue of Blind Magazine! En kom binnenkort een keer nasi bij me eten.
Handschoentjes niet nodig. (Bovendien weten die conservatoren daar volgens mij nauwelijks wat voor goud ze in handen hebben. Ze weten alleen dat het de collectie van hun beroemde professor is, maar omdat het nooit goed in kaart is gebracht hebben ze geen idee hoe waardevol die is.)
Een echte Indiana Jones, in Indiana...ik ben diep onder de indruk. Intrigerend, ik wist niet dat het kolonialisme zo ontzettend veel heeft losgemaakt. Hoe zit dat dan met die klok?
Pogingen om steeds preciezere klokken te maken in de 17e en 18e eeuw (van Huygens' slingeruurwerk tot John Harrison's mega-precieze uurwerk) werden met name voortgedreven door de wens om lengtegraden op zee te kunnen meten. In een Middeleeuws dorp maakt het niet heel veel uit of het zes uur of tien over zes is. Als je je lengtegraad wilt meten, moet je echter een heel precieze chronometer hebben en die dan vergelijken met de stand van de zon. Zo schreef het Engelse parlement, op aandringen van mensen uit het zeewezen, een prijsvraag uit voor het ontwerpen van een uurwerk dat op zee (dus met golven enzo, bedenk wat dat doet met de slinger van een klok) tot op de seconde nauwkeurig de tijd kon bijhouden. John Harrison won de prijsvraag door zo'n klok inderdaad uit te vinden.
Een reactie plaatsen
<< Home