maandag, januari 09, 2006

Rampenreis

Nadat alle werkstukken waren ingeleverd had ik nog 10 dagen om in de VS te doen wat ik wilde. Om te beginnen racete ik dus naar New York om Marike’s uitvoering van A Streetcar Named Desire te bekijken. De krappe 36 uur die ik in New York doorbracht werden totaal volgestouwd met cultuur: ik zag drie toneelstukken van Marike en medestudenten, en bracht een bezoek aan de Russia!-tentoonstelling in het Guggenheim. (erg gaaf) Op culinair gebied werd het hoogtepunt van mijn al te korte verblijf gevormd door een absurd Chinees restaurant dat bestond uit één zaal ter grootte van een voetbalveld, en waar je je eten verwierf door een van de rondrijdende karretjes te roepen en te wijzen op het eten dat je wilt hebben. Daar lunchte ik met Marike en consorten, alsmede waarschijnlijk zo’n duizend andere mensen.
De tweede ochtend na mijn aankomst ging de reis echter alweer verder. Met Calvert (de jongen uit Texas) had ik afgesproken om aan het eind van het semester in de bergen te gaan wandelen, voorzien van sneeuwschoenen en flink wat warme kleren. Ons doel was een piek in het Giant Mountain Wilderness reservaat in de Adirondacks, een gebergte in het noorden van de staat New York, tegen de grens met Canada. Deze reis zou uiteindelijk het gelijk van alle wetten van Murphy op meedogenloze manier bewijzen.

Om kwart voor twaalf arriveerde mijn bus in Albany, waar ik Calvert zou ontmoeten. Het plan was dat we rond het middaguur vanuit Albany zouden vertrekken, onderweg nog ergens de nodige provisie zouden inslaan, en rond drie of vier uur ‘s middags zouden arriveren in de Adirondacks. Zo konden we bij het laatste daglicht nog mooi een begin maken aan onze tocht.Bij mijn aankomst was Calvert echter in geen velden of wegen te bekennen. Een telefoontje leerde me dat hij in Columbus nog wat onvoorziene problemen had moeten oplossen, en dat hij meer dan vier uur vertraging had.
Niet getreurd: ik liet mijn bagage achter op het busstation en trok Albany in. Tot mijn blijdschap (maar nauwelijks tot mijn verrassing) was Albany oorspronkelijk een Nederlandse stad geweest. De gevels en de naambordjes leerden me dat veel mensen in Albany nog steeds een Nederlandse achternaam droegen. De streek was door de Nederlanders ontdekt op de eerste tocht van Henry Hudson, dezelfde tocht waarop Manhattan werd ontdekt en Nieuw Amsterdam er werd gesticht. De stad was een Nederlandse buitenpost geweest tot de Engelsen het in 1665 veroverden.

Rond vijf uur was Calvert gearriveerd en gingen we alsnog met frisse moed van start. In een supermarkt aan de snelweg werden de laatste benodigdheden ingeslagen, waaronder aanstekers, water en het een en ander aan eten. Probleem was echter dat we het natuurgebied nooit zouden halen voor het donker werd.
Uiteindelijk arriveerden we pas om tien voor elf ’s avonds in Keene Valley, ons vertrekpunt. Nadat we ontdekt hadden dat het tankstation om half elf was dichtgegaan, besloten we om het vullen van de tank maar uit te stellen tot onze terugkeer uit de bergen, parkeerden we de auto en gingen we van start. Het was volle maan, volledig onbewolkt en er lag overal sneeuw. Niet alleen was dit heel erg mooi; er was ook gewoon veel belachelijk licht, zelfs meer dan genoeg om het bospad dat we zouden moeten nemen te kunnen zien.
Na ruim twintig minuten langs de asfaltweg te hebben gelopen kwamen we er echter achter dat we de kaart niet goed hadden bekeken, en dat we zo’n drie kwartier langs de asfaltweg moesten lopen om op ons beginpunt te komen. Aangezien we de helft van die afstand al hadden afgelegd, besloten we maar gewoon door te lopen. Rond één uur ‘s nachts zetten we eindelijk de tent op, zo’n vijf minuten van de asfaltweg. Tot zover alles goed en wel. Ondanks wat startproblemen leek het allemaal gesmeerd te verlopen. Het was die nacht behoorlijk koud, maar dat was onderdeel van de lol.

De eerste serieuze problemen kwamen de volgende ochtend, toen we uit onze slaapzakken kropen en ontdekten hoe koud het die nacht eigenlijk was geweest. Onze watervoorraad, die we in de tent hadden bewaard, was vrijwel totaal bevroren. Nu was dit niet het ergste: ook ontdekten we op nogal onaangename wijze dat we koolzuurhoudend water hadden gekocht, toen één van de flessen in Calvert’s gezicht opensprong en hij een lading ijs zijn gezicht in gelanceerd kreeg. Exploderende waterflessen zouden een terugkerend thema zijn in de volgende 36 uur.
Zo vertrokken we, met ongeveer één liter drinkbaar water van de zeven liter die we hadden meegenomen, de bergen in. Eenmaal aan de wandel verdwenen onze zorgen over de watervoorraad echter totaal: het was absoluut schitterend om door de sneeuw te lopen bij totaal heldere hemel. De lunch hielden we aan de top van een waterval, waar enkele wakken in het ijs zaten, dus water was voorlopig ook geen enkel probleem. Er was geen wind en de enige dieren die we zagen waren vogeltjes. In de zomer stikt het in de Adirondacks van de beren, maar die waren allemaal in winsterslaap. Het was dood-en doodstil; het enige dat je hoorde was het ploffen van de sneeuw, die soms van de takken afviel. Vanaf open plaatsen kon je tientallen kilometers over de bergen uitkijken, en geen enkel teken van beschaving was zichtbaar. Het had een heerlijke, soort drogerende kwaliteit om door dat doodstille bos te lopen.
Wel vorderden we aanzienlijk langzamer dan voorzien. Wandelpaden volgen meestal de weg van de minste weerstand, en water doet dat ook. Wat in de zomer een begaanbaar bergpad is, verandert in de herfst vaak in een beekje, en vervolgens in de winter in een soort schaatsbaan, maar dan ongelijkmatig en scheef. Op veel stukken van de route was de enige grip die we hadden dankzij de dikke laag sneeuw en de stokken die we bij ons hadden. Soms was het sneller om naast het pad tussen de bomen door te worstelen dan het pad te volgen.
Hierdoor schoot het allemaal niet zo op. We hadden gehoopt om die dag de top te bereiken en weer af te dalen naar de vlakkere stukken die erop volgden, waar we waarschijnlijk veel beter konden kamperen. Toen de duisternis inzette waren we nog een ruime kilometer van de top. We waren die dag echter zo’n twee kilometer per uur gevorderd, de maan was nog niet op, we waren moe en in het donker over ijs lopen was vragen om ongelukken. We vonden een mooie, enigszins overhangende rots met een vlak stuk ervoor en besloten dus om het bereiken van de top tot de volgende dag uit te stellen.

Toen maakten we de stomste beslissing van de reis: uit sfeeroverwegingen, en vanwege de marshmellows die we hadden meegenomen, besloten we om de tent niet op te zetten maar ons vlakke stukje te benutten voor een vuurplaats. Dit vuur konden we dan gewoon de hele nacht af en toe voeren, en als we onze slaapzakken onder de rots legden zou het daar in principe warm worden.
Ik ging dus hard op zoek naar hout, en Calvert begon aan het bouwen van een vuurtje. Bijkomend probleem was echter dat er sneeuw in Calvert’s handschoenen was gekomen; die sneeuw was nu gesmolten en hij had zijn natte, koude handschoenen dus maar uitgedaan. Dat was de hele middag goedgegaan, maar voor het bouwen van een vuurtje moest hij ze toch wel uit zijn mouwen halen. Ook was het zo koud dat de aanstekers die we hadden simpelweg niet werkten. We moesten ze iedere keer ergens diep in onze kleren steken om ze op te laten warmen, en daarna deden ze het ongeveer een minuut.
Om een lang verhaal kort te maken: het werkte niet. Ik schat dat we zo’n drie kwartier pogingen hebben gedaan een vuur aan de praat te krijgen, en drie keer hadden we ook daadwerkelijk een klein vuurtje. De grond waarop we ons bevonden was echter hard bevroren: als je de sneeuw opzij veegde, zag je de begroeiing onder ongeveer een centimeter ijs. Het vuurtje smolt elke keer de bevroren bodem, werd nat, en was sowieso niet warm genoeg om gaande te blijven. Keer op keer ging het na een minuut of wat weer uit.
Ik was in de tussentijd in beweging geweest door het verzamelen van hout, het loszagen van dode takken en al dat soort dingen. Calvert had echter drie kwartier vrijwel onafgebroken stil op de grond gezeten, zonder handschoenen aan, bij een vuur dat maar niet wilde starten. Pas toen hij echt onbedaarlijk begon te rillen (misschien is schudden een beter woord) kreeg ik door dat dat geen goed idee was geweest. Ondertussen had ik het ook ongelooflijk koud, en ik denk dat ik wel mag stellen dat we allebei niet helder meer dachten. Vanaf dat moment wisselden we de handschoenen steeds af. Het duurde alsnog een onvoorstelbaar lange tijd van rillen, zwijgen en een beetje in het rondspringen om warm te worden, voor we op het lumineuze idee kwamen toch die tent maar te gaan opzetten.
De activiteit van het opbouwen van de tent bracht onze helderheid van geest wel weer een beetje terug. Calvert had zich goed ingelezen voor deze reis en wist dat het bouwen van een sneeuwmuur rond de tent ons aanzienlijk warmer zou houden. Aan sneeuw geen gebrek, dus we bouwden die sneeuwmuur. Ondertussen hadden we maar één paar handschoenen, en het was dusdanig koud dat als je een tentstok aanraakte (ze waren gelukkig een soort kunststof, geen metaal), het niet eens meer koud aanvoelde, maar onmiddellijk pijn deed alsof er met spelden in je vinger werd geprikt.

De tent stond, we hadden onze zilverfolie nooddekens in onze slaapzakken gedaan en lagen met veel kleren aan in die nooddekens. Het was zowaar aangenaam warm. We hadden echter nog steeds niet gegeten, en ons water was tot de laatste druppel bevroren, nu inclusief de enige isolerende fles die we mee hadden. Ook waren we geen ontdooide beekjes tegengekomen in de laatste paar uur. Calvert was op het laatste moment echter op het idee gekomen een enorme hoop sneeuw onder de luifel te schuiven, zodat we dat konden smelten zonder naar buiten te hoeven.
Wat gold voor de aanstekers, gold in nog sterkere mate voor de benzinebranders. Die werkten niet. De enige tactiek om ze brandend te houden was een gasje in je slaapzak doen, wachten tot het warm werd en het dan gebruiken. Als je hem vervolgens in de buitentent zette (op een stapeltje sokken om hem van de koude grond te isoleren), deed hij het ongeveer een kwartier. Dat was precies lang genoeg om het andere gasje te laten opwarmen.
Op deze manier lukte het ons om genoeg sneeuw te laten ontdooien om thee te zetten en onze instant-pasta te bereiden. Een van de vingers aan Calvert’s linkerhand was ondertussen grijs van kleur geworden, en ik begon me al helemaal zorgen te maken toen hij naar de verpakking van de pasta keek en verbaasd zei: ‘Ik kan het niet lezen! Ik zie de letters niet scherp!’ Een minuut of wat later zakte hij helemaal weg. Hij had onderkoelingsverschijnselen, zoveel was ondertussen duidelijk. Ik wist hem wakker te maken voor het drinken van thee en het eten van onze pasta. Daarna zakte hij meteen weer weg, en ook ik sliep vrijwel meteen in.

De volgende ochtend zag alles er echter een stuk beter uit. Na allebei meer dan twaalf uur te hebben geslapen, werden we wakker toen het al helemaal licht was. Het was aanzienlijk warmer dan de avond ervoor. Na een ontbijt bestaande uit crackers, thee en ‘gorp’ (een mengsel van pinda’s, rozijnen en gedroogde banaan), braken we rond een uur of elf ’s ochtends de tent af. Calvert was duidelijk enorm hersteld en had meer energie dan ik. Wel deden zijn handen enorm pijn, en maakten we ons zorgen over de vinger die grijs was geworden en waar ook niet langer gevoel in zat.
Na enig beraad besloten we om maar niet door te gaan naar de top, simpelweg weer af te dalen en een ziekenhuis op te zoeken. Het feit dat we de top niet gingen halen vond Calvert extreem frustrerend, maar het leek ons toch geen goed plan om verder te lopen. Langs een iets langer maar iets minder stijl pad gingen we terug naar het dal. Het was wederom echt prachtig, en ook heel gezellig. De enigszins hopeloze situatie van de avond ervoor leek ver weg. Tot mijn verbazing ging Calvert als een speer de berg af, en zat ik er duidelijk meer doorheen dan hij: ik bleef maar vallen en lag voortdurend achter.

Tegen het vallen van de avond waren we terug op de weg door het dal, en na nog een uur over het asfalt te hebben gelopen bereikten we de auto weer. Onze eerste prioriteit was het vullen van de tank. Voor we in het dal waren aangekomen had de benzinemeter al enige tijd zorgwekkend dicht bij ‘empty’ gestaan, en het tankstation in het dal was, zoals vermeld, dicht geweest op onze heenreis.
Halverwege de rit naar het benzinestation raakte de benzine echter definitief op en kwam de auto krakend en piepend tot stilstand. We zwaaiden naar de eerste auto die passeerde, en deze stopte. Het bleek de lokale dominee te zijn. Hij ging naar de kerk om af te sluiten, en had daar nog wel een jerrycan benzine staan. Calvert bleef liever bij zijn auto, dus ik ging mee.
De dominee was een verschrikkelijk aardige man die opvallend veel overeenkomsten vertoonde met het standaardbeeld van de kerstman. Zijn jerrycan bij de kerk bleek leeg, en de tocht voerde ons uiteindelijk langs zijn huis en het gewraakte tankstation. Ondertussen keuvelde hij lustig over het weer, zijn hond, het feit dat wij, behalve de alpinetroepen van het Amerikaanse leger, de enige mensen waren die in de winter deze bergen ingingen (ik dacht een enigszins vermanende toon te ontwaren), en de oorlogen tussen Engelsen, Nederlanders en Fransen die in deze regio hadden gewoed in de koloniale tijd.
Uiteindelijk hadden we de auto dan weer aan de praat. Na gauw ergens te hebben gegeten, en navraag te hebben gedaan, ging het op naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis, om naar Calvert’s hand te laten kijken. De dokters dachten duidelijk dat we gek waren: hadden we eerst wel naar het weerbericht gekeken? Ja, dat hadden we, maar voor Elizabethtown, een goede dertig kilometer verderop, in een ander dal. Daar was het de afgelopen dagen zo’n vijf graden onder nul geweest. In het dal waar wij nu zaten, was het echter vijfentwintig graden onder nul geweest. En wij zaten nog eens een kilometer hoger… Dat wierp ineens een heel ander licht op de zaak. Calvert’s vinger zou echter waarschijnlijk helemaal herstellen binnen een week of zes. Hij kreeg wat ontstekingsremmers mee en we vertrokken weer.
Ons oorspronkelijke plan om de derde nacht ook in de bergen te kamperen was ondertussen toch wel engiszins van de baan. We zochten een lokaal goedkoop hotel, hingen onze spullen te drogen over elke draad die we konden vinden, namen een douche, en gingen slapen.

Toen Calvert me de volgende dag weer afzette op het busstation van Albany, konden we terugkijken op een zeer geslaagde wandeltocht door de bergen. We waren bijna doodgevroren, hadden sneeuw moeten ontdooien om water te kunnen drinken, moesten uiteindelijk naar het ziekenhuis, waren tientallen keren gevallen, en hadden kortom alle teringzooi waar we om vroegen (en waar we stiekem op hadden gehoopt) over ons heen gekregen. Ook was het erg leerzaam: als wandelfanaat had ik wel eens eerder in de sneeuw gekampeerd (zie een stukje op Rein’s site over de Spanjereis en bijbehorende foto's) maar dit was toch wel van een andere orde. Ik weet nu een stuk beter hoe je zoiets moet aanpakken. Een paar losse tips: kijk op het etiket van de waterflessen die je koopt. Als er ‘carbonated’ op staat, loop dan door naar het volgende schap. Ook: houd de Powell-doctrine in ere en zorg altijd voor een exit-strategie. Jezelf zonder benzine de wildernis in rijden zou eventueel problematisch kunnen uitpakken.

Tien minuten voor mijn bus zou vertrekken werden alle bussen vanuit Albany tot nader order geannuleerd vanwege een enorme sneeuwstorm. Ik kon slechts grijnzen: Murphy deed enorm zijn best, maar had werkelijk geen enkele vat op me. Het was vakantie! Ik liep naar het restaurant en las verder in Little house on the prairie.




P.S. Zijn er foto's van dit geheel? Nee, helaas! Hoewel er op Calvert's telefoon een fototoestel zat, viel de batterij van zijn telefoon vroeg op de eerste dag uit, naar we vermoeden eveneens door de kou. (Onze zaklampen hielden er op een gegeven moment ook spontaan mee op, maar deden het later in het hotel allebei wel weer.)

zondag, januari 08, 2006

De Boxer-collectie

of: waarom koloniale geschiedenis leuk is

Tijdens mijn verblijf aan OSU kreeg ik van een aantal mensen (waaronder Sint Nicolaas zelf) te horen dat ik toch eigenlijk helemaal niet zo hard aan het studeren was. Ik vermoed dat ik die indruk vooral wekte door de stukjes die ik op dit blog zette. Slechts zeer af en toe gingen die over mijn studie.
Ik heb persoonlijk niet veel op met blogstukjes die in chronologische volgorde alles wat iemand meemaakt opsommen. In die stijl geschreven leesvoer vertoont veel overeenkomsten met het telefoonboek, met dat verschil dat er in het telefoonboek nog weleens dingen staan die je wél wilt weten. Daarom heb ik de bezoekers van dit blog willen besparen dat ik de hele dag boeken over de gewone man in het Spaanse keizerrijk aan het lezen was, dat het grootste deel van mijn tijd opging aan een werkstuk over de rationaliteit van de Javaanse staat, en dat ik naar een interessante lezing was geweest over Zuidoost-Aziatische centralisatiestrategieën. Dat soort proza leek mij de uitgelezen strategie om het aantal bezoekers binnen de kortste keren tot nul terug te brengen. Het leek me leuker om me te concentreren op de eigenaardigheden van in Amerika zijn.
De indruk dat ik vooral Amerikaanse eigenaardigheden aan het beleven was en niet studeerde, is echter onjuist. Ik heb zowaar hard gestudeerd aan OSU, en met leuke resultaten. Laat ik daarom tenminste één stukje wijden aan datgene waarvoor ik eigenlijk naar de VS ging: het bestuderen van koloniale zaken. Een specifieke episode daaruit was wel erg leuk: mijn reis naar de Boxer-collectie, het privé-archief van de nu overleden historicus C.R. Boxer.

Charles Boxer was misschien wel de kleurrijkste historicus van de afgelopen eeuw. Zijn biografie leest zo’n beetje als het script van een Indiana Jones-film. In 1904 geboren in een Britse adellijke familie waaruit met name veel grote legerofficieren waren voortgekomen, werd de jonge Charles Boxer door zijn ouders op de militaire academie geplaatst. Hij ontwikkelde daar al gauw een interesse in de koloniale geschiedenis. Tijdens zijn opleiding tot officier, en zijn latere militaire loopbaan leerde hij zichzelf in de avonduren Portugees, Nederlands en Japans. Zonder ooit een universitaire opleiding te hebben genoten begon hij in de loop van de jaren ’30 artikel na artikel te publiceren over het koloniale verleden van Engeland, de Nederlanden en Portugal.
Zijn kennis van het Japans bracht hem in 1936 binnen de gelederen van de Engelse inlichtingendienst: in de toen nog Engelse kolonie Hongkong vertaalde hij onderschepte Japanse militaire communicatie. Toen Hongkong in 1941 door het Japanse leger werd aangevallen, raakte Boxer zwaar gewond bij de verdediging ervan. Hij werd krijgsgevangen gemaakt, werd als medewerker van de Geheime Dienst wekenlang door de Japanners verhoord, en werd vervolgens te werk gesteld.
Niettemin overleefde hij de oorlog, en werd, na eervol ontslag uit het leger, professor in de koloniale geschiedenis: eerst aan King’s College in London, later aan Yale, en uiteindelijk aan de University of Indiana. De rest van zijn leven (hij overleed in 2000) gaf hij elke cent die hij had (inclusief het familiekapitaal) uit aan reizen, en het verzamelen van de grootste particuliere collectie koloniale parafenalia ter wereld. Dozen en dozen vol munten, voorwerpen, foto’s, zeldzame boeken en manuscripten verzamelde hij om zich heen.

Al vroeg in mijn besprekingen met Parker kwam het gesprek op deze C.R. Boxer. Een aantal van de boeken die hij geschreven heeft is nog steeds standaardliteratuur, en ik was sowieso al enigszins fan van hem. Ik wist van het bestaan van zijn enorme collectie aan zeldzame spullen (in zijn boeken staan allemaal voetnoten in de sfeer van: ‘Dit heb ik uit een uniek manuscript in mijn privé-collectie; wie in de buurt is mag het weleens komen bekijken’), maar had geen idee dat die collectie na zijn dood was opengesteld voor onderzoekers. Ook had ik geen flauw benul waar die collectie was. Groot was dus mijn verbazing toen Parker onmiddellijk riep: ‘Oh ja, Boxer! Zijn privé-archief is hier 300 kilometer verderop, in Bloomington, Indiana. Neem dus wanneer het je uitkomt een paar dagen vrij en ga daar eens kijken. Ik schrijf wel een aanbevelingsbriefje, zodat je naar binnen kan.’
Nadat alle optredens en Thanksgiving achter de rug waren, had ik die paar dagen. Melanie zette me op de terugweg vanuit Wisconsin af in Bloomington, Indiana. Aldaar boekte ik een goedkoop hotel en ging naar het archief.

Een privé-collectie is weer iets heel anders dan een nationaal archief. In het Nederlandse nationale archief is alles keurig in computers ingevoerd, gecatalogiseerd en bijgehouden. Boxer’s archief was een zooitje. Iemand had ooit een klein inventarisje geschreven, maar verder was er niets in kaart gebracht. Als je iets specifieks zoekt is dat verschrikkelijk, maar als je gewoon komt neuzen is dat fantastisch. Je krijgt gewoon een doos met papieren op je tafel, en moet het verder zelf maar uitzoeken. Dat deed ik dus.
In die dozen trof ik vervolgens allerlei fantastische dingen aan. Boxer had gewoon de spullen die hij gaaf vond aangeschaft, vaak met de aankoopacte of een foto erbij. Het wierp een blik op een heel andere manier van met geschiedenis bezig zijn: bij de aanstellingsbrief van Gouverneur-Generaal Antonie van Diemen trof ik de aankoopactes en de correspondentie tussen Boxer en een antiquariaat in Amsterdam, Nico Israel en Emmerink b.v. Boxer had 1500 dollar voor het document betaald, maar blijkbaar hadden ze hem eerst het verkeerde document gestuurd. Een aantal brieven heen en weer loste dit probleem blijkbaar op.
Boxer bezat allerlei Nederlandse stukken: een boek met kustprofielen, bedoeld voor schepen om vreemde kusten te kunnen herkennen. Een brief van Willem van Oranje aan de Nederlandse vloot voor de Schelde. Een brief van Piet Heyn aan de Staten-Generaal. Een deel van een scheepsjournaal. Een aantal willekeurige documenten, die hij vooral had aangeschaft omdat er handtekeningen van beroemde mensen op stonden. Mijn grote frustratie was echter dat alle echt gave dingen in het Portugees waren. Bij een Portugees boek in normale letters kan ik nog net zien waar het over gaat; zodra het echter handgeschreven 16e-eeuwse kriebelletters worden, ben ik verloren. Tijd om Portugees te gaan leren.

Tegenover me in de studiezaal zat de hele eerste ochtend een man in 20e-eeuwse getypte documenten te turen. Zoals dat gaat in een studiezaal negeerden we elkaar totaal, maar zo tegen 1 uur hief hij zijn hoofd uit zijn map, en zei alleen maar: ‘Lunch?’ ‘Eeehhhmm… sure!’ was mijn antwoord. De man, Robert geheten, bleek een boek te schrijven over president Roosevelt en de New Deal, een plan tot sociale hervorming tijdens de Crisisjaren. Uiteindelijk nodigde hij me uit om die avond met hem, zijn vrouw en diens zus uit eten te gaan in het centrum van Bloomington. Die avond at ik Afghaans met een aantal mensen die ik die ochtend nog niet had gekend. We praatten over liften in Europa, religieuze denkbeelden in de VS en de geschiedenis van alles. Aanzienlijk leuker dan in een goedkope hotelkamer goedkoop fastfood naar binnen schuiven.
De VS blijven een raar land in sommige opzichten. Bloomington heeft zo’n 100.000 inwoners en huisvest een grote universiteit, maar er is geen openbaar vervoer heen of vandaan. Ik was al verbaasd toen ik op Internet had uitgevonden dat er geen Greyhound naar Bloomington ging, maar toen ik ontdekte dat ik gewoon geen transportopties de stad uit had (behalve een bus die heel af en toe naar de luchthaven van Indianapolis ging) was ik verbijsterd. Robert wist echter een lift voor me te regelen. De volgende dag, laat in de middag, gooide ik mijn tassen in de auto van zijn zwager en vertrok weer richting Columbus, na twee fascinerende dagen tussen oude stukken papier te hebben doorgebracht.

Dat laat ons nog de vraag in de subtitel: waarom is VOC-geschiedenis eigenlijk interessant? Wat bezielt iemand in vredesnaam om dagen, soms weken, tussen oude paperassen door te brengen om iets uit te zoeken over de VOC? Wat maakt de VOC in vredesnaam uit?
De VOC is inderdaad nauwelijks een populair onderwerp op feesten en partijen. De geschiedenis van de Nederlandse koloniën, en dan met name die in de 17e eeuw, heeft bij uitstek wat Mirjam hier zeer mooi een ‘koekblikjeskwaliteit’ noemde. Iedereen ruikt bij het horen van het woord ‘VOC’ onmiddellijk spruitjes, en hoort in zijn achterhoofd een schoolleraar uit de jaren ’40 oreren over ‘het grootsche verleeden van ons trotsche Geuzenrasch! – ja, jongensch, dáár werd wat grootsch verricht!!!’ of iets dergelijks. Het hele onderwerp heeft voor de meeste mensen een soort air van vaderlandslievende kneuterigheid over zich.
Is dat terecht? Niet helemaal. Dat wil zeggen, voor mensen die nationalistische onzingeschiedenis wilden schrijven, waren de Zilvervloot, Jan Pieterszoon Coen en de Eerste Schipvaart zonder meer fantastische bronnen van heroische verhalen. Koloniale geschiedenis is echter veel meer dan dat, en tegenwoordig stellen we andere vragen aan de geschiedenis. We vragen ons af hoe de wereld is geworden zoals ze is: waarom zijn de westerse landen rijk en de rest niet? Een belangrijk deel van het antwoord zit hem in de interactie tussen de Europese landen en de rest van de wereld. Als we willen weten waarom Amerika is geworden wat het is, of waarom China doet wat het doet, zit een groot deel van het antwoord in de koloniale geschiedenis.
Het is ook de geschiedenis van ons wereldbeeld. De ontdekkingsreizen en de koloniale rijken veranderden het beeld dat de gemiddelde Europeaan van de wereld had totaal. De enorme nieuwe rijken die werden ontdekt, vaak groter en machtiger dan de Europese landen zelf, deden het Europese zelfbeeld, met de Christelijke beschaving als lichtend centrum van de wereld, minder vanzelfsprekend lijken. Op wetenschappelijk gebied werden de westerlingen ineens geconfronteerd met een enorme hoeveelheid nieuwe dier- en plantensoorten. Wetenschappers als Linnaeus en Rumphius waren gefascineerd door al deze nieuwe soorten, en probeerden ze in kaart te brengen. Het classificatiestelsel dat Linnaeus uitvond (en dat nog steeds wordt gebruikt) werd noodzakelijk gemaakt door deze overdaad aan planten en dieren waarmee men zich geconfronteerd zag.
Onze hele kennis van geologie, biologie, antropologie, is onlosmakelijk verbonden met de geschiedenis van het kolonialisme. Organisaties als Artis hielden zich oorspronkelijk bezig met planten, dieren, geologie en antropologie. Artis verzamelde naast zeldzame dieren ook antropologisch interessante voorwerpen en mineralen. Een overweldigende hoeveelheid van hun spullen kregen ze via koloniale kanalen. We zouden hier ook Darwin of Eugene Dubois kunnen noemen. Darwin is bekend; Eugene Dubois was de Nederlander die de belangrijkste ‘missing link’ tussen aap en mens vond, de ‘Java Man’ of pithecantropus erectus. Hij deed deze vinding op Java, nadat hij daar als legerdokter terecht was gekomen, en groef de Java Man uiteindelijk op met hulp van Javaanse ‘koelies.’
Zo is het kolonialisme een niet weg te laten factor geweest in elk aspect van het menselijk bestaan. Als je wilt weten waarom we pepernoten eten met Sinterklaas, waarom Afghanistan de Taliban voortbracht, hoe de b.v. is ontstaan, hoe we op het idee van evolutie zijn gekomen, hoe de klok is ontstsaan, waarom Japan meevocht in de Tweede Wereldoorlog en waarom China en India misschien wel de volgende wereldmachten worden en Mali sowieso niet, dan brengt de zoektocht naar het antwoord je onvermijdelijk langs de geschiedenis van het Europese kolonialisme. Fracties van die antwoorden bevinden zich in het papierwerk dat is voortgekomen uit de VOC. Met spruitjes en koekblikjes heeft dat eigenlijk erg weinig te maken.